woensdag 20 april 2016

Met Susan Sontag, Georg Lukács, Peter Buwalda en Peter Wohlleben aan de Lesse

— 1956: Hongarije komt in opstand tegen het stalinisme. —

Op het bed ligt een stapel boeken. Ik zit in een fauteuil en leg mijn voeten op het salontafeltje. Door het openstaande raam hoor ik het water van de Lesse kabbelen. Aan gene zijde staat het bos; aan deze zijde ligt het weiland waarin één eik al honderd jaar aan ’t groeien is, resultaat van een vrucht die de wind ooit, vanuit het bos, over de rivier heen geworpen heeft.
Ik blader doorheen een essay van Susan Sontag. Het vangt op dezelfde manier aan, maar dan anders: ‘Ik schrijf in een klein kamertje in Parijs, terwijl ik in een rieten stoel zit, voor een raam dat over een tuin uitkijkt; achter me staat een bed en een nachttafel, op de vloer en onder de tafel liggen manuscripten, notitieboekjes en twee, drie paperbacks.’ 
De alinea is nog niet rond of Sontag heeft de schrijflust al vanuit haar raam naar me toe geworpen. Ik beslis om een stukje over de marxistische filosoof Georg Lukács te schrijven.  
— Susan Sontag (1933-2004) —
Die Hongaar boeit me. Hij boeit me zoals de theatermaker Bertolt Brecht en de componist Dmitri Sjostakovitsj me boeien. Hoe hebben die mensen het aan boord gelegd om het stalinisme te overleven? En hoe zijn ze erin geslaagd om in die geestesdodende omgeving een toch wel merkwaardig oeuvre te produceren?
Ik blader in Lukács boek The Meaning of Contemporapy Realism en zie dat het twee voorwoorden en een inleiding meekrijgt. Die wil ik lezen voor ik het raam weer dichtmaak.
Het eerste voorwoord heeft hij in 1962 geschreven, naar aanleiding van de Engelse uitgave. Meteen valt de afstand op die hem van de hedendaagse lezer scheidt. De kans dat zijn vrucht nu nog wortel schiet is kleiner dan deze die de eikel had toen hij zich honderd jaar geleden aan gene zijde van de Lesse losmaakte.
Lukács heeft het over 'het XXste Congres'. Tout court. Van de hedendaagse lezer kan, denk ik, niet verwacht worden dat hij daar iets over weet. Zelf ben ik wellicht een uitzondering, want in de late sixties kom ik in de heftige biotoop van stalinisten en trotskisten terecht. Daardoor weet ik dat het XXste Congres van de CPSU in 1956 een periode van zogenaamde destalinisatie inluidt.
De literaire kritieken die Lukács in The Meaning of Contemporapy Realism bundelt zijn ingebed in die politieke beslissing. Er is ter zake al veel werk gedaan, stelt hij met genoegen vast. Als voorbeeld wijst hij op de publicatie, in 1960, van een ‘onbekende’ brief van Lenins weduwe. Daarin schrijft ze dat Lenins essay Partijorganisatie en partijliteratuur uit 1905 niet over literatuur als schone letteren gaat. Wat volgens mij het instampen van een open deur is.
— Georg Lukács (1885-1971) —
Ik ken dat essay van Lenin. Daarin weerlegt hij zelf expliciet de kritiek als zouden communisten hun eigen opvattingen aan schrijvers willen opleggen: ‘Kalm maar, mijne heren! In de eerste plaats is er sprake van partijliteratuur en van de onderwerping ervan aan de partijcontrole.'  Iemand die bij wijze van spreken voor de N-VA schrijft moet uiteraard schrijven wat de N-VA van die mens geschreven wil zien, maar voor de rest? 'Iedereen heeft de vrijheid om te schrijven wat hem goeddunkt, zonder de geringste beperking. (…).’  Aldus Lenin. 
Dat Stalin daar later overheen leest, valt te begrijpen, maar wat moet een mens denken van een literatuurcriticus van het gewicht van Georg Lukács die in 1960 nog van zijn stoel valt vanwege iets wat al in 1905 voor iedereen duidelijk is?
Wat ik ervan moet denken maakt Lukács pijnlijk duidelijk in de inleiding op de Duitse uitgave. Die begint hij te schrijven in september 1956, hij werkt hem af in april 1957. ‘In die tussentijd’, zegt hij, ‘hebben in Hongarije en in andere landen gebeurtenissen plaatsgevonden die vragen dat bepaalde problemen, verbonden met Stalins erfenis, opnieuw gedacht worden.’ Voor wat Hongarije betreft is dat zeker waar. Daar grijpt tussen 23 oktober en 10 november 1956 een volksopstand plaats.
Zijn dat de gebeurtenissen waarover Lukács het heeft? Hij rept er, vreemd genoeg, met geen woord over. Hij heeft het wel over reacties die ‘de vorm aangenomen hebben van een revisie van de theorieën van Marx en Lenin.’ Die kunnen alleen maar gered worden, vervolgt hij, als het dogmatisme oprecht bekritiseerd wordt, ook op literair vlak.
Kritiek op middelmatige uitingen ervan is zeker nodig, schrijft Lukács vervolgens, maar dan wel opdat ‘de creatieve aspecten van dit nieuwe realisme beter begrepen zouden worden.’
Waardoor ik een antwoord krijg op de vraag die me bezighoudt. Zo overleef je als filosoof het marxisme-leninisme na Stalin: je neemt het kleurboek van het XXste Congres en je waakt er vooral over dat je niet buiten de lijntjes kleurt.
De avond valt over de Ardennen. Ik klap het boek dicht. Het boek verkruimelt in mijn handen tot compost. Ik sluit het raam.
Ik ben vandaag niet langs de Lesse gaan wandelen. Peter Buwalda vindt dat niet erg: ‘Een goed boek is duizend maal interessanter dan de werkelijkheid. Ik weet nog dat ik in Egypte op vakantie was toen ik Sabbat’s Theater las van Philip Roth. Echt, die hele Nijl, daar kon je zo de stop uittrekken, die interesseerde me geen reet. Dat boek resoneert twintig jaar later nog na in mijn hoofd, er is niets dat ik in het echt heb meegemaakt dat daarmee is te vergelijken. Niets.’
Flor Vandekerckhove

Ik ben dit jaar 67 geworden en kom tot het besluit dat het leven kort is, veel te kort. Dit zijn de boeken die ik vandaag niet kunnen lezen heb: Susan Sontag, Under the Sign of Saturn, 1981, First Vintage Books Edition. / Georg Lukács, The Meaning of Contemporary Realism, London Merlin Press, 1962 (behalve de inleidingen en het voorwoord, want die heb ik zojuist besproken). / Peter Buwalda, Bonita Avenue, Amsterdam De Bezige Bij, 2010. / Peter Wohlleben, Het verborgen leven van bomen, Amsterdam A.W. Bruna Uitgevers, 2016.
Een reactie posten