zondag 11 september 2016

Op visite


‘Ach, het gevoelsleven is zo ontzettend burgerlijk.’ (Clarice Lispector)

Nadat ik het voorstel geformuleerd heb neemt zijn echtgenote het gesprek kordaat in handen. Dat het allemaal geld kost en dat ze niet voldoende muren in huis hebben om er nóg een stapel nieuwe tekeningen tegen te plaatsen en dat iedereen de werken van haar echtgenoot wel mooi vindt, maar dat niemand ze koopt en dat ze daar bij hen, in huis, tegen de muren, blijven staan. Stapels. Ze vertelt ook dat ze er twee jaar lang alleen voor gestaan heeft, terwijl hij niets binnenbracht, nul inkomen, nul, en dat een tekening maken toch nog iets anders is dan een verhaaltje schrijven, en dat hij niet elke dag een tekening kan maken zoals ik elke dag een verhaaltje schrijf — die zit! —, dat hij daarmee worstelt en dat hij ’s nachts slapeloos & zuchtend door de echtelijke woning dwaalt, zeggende ik kan het niet, het gaat niet, ik vind het niet, het lukt me niet, en dat hij dan ’s anderendaags een halve dag in bed blijft liggen en de andere helft niet te pruimen is en dat we niet alleen aan het artistieke moeten denken, maar ook aan de zakelijke kant van de zaak, en dat zij het weer zal zijn die voor het vervoer van die tekeningen zal opdraaien en dat ze, aangezien daar weer niets van verkocht zal worden, ook voor het terug naar huis brengen ervan zal opdraaien, dat ze trouwens weer voor alles alles alles zal opdraaien en dat ik dan ten minste het papier voor die tekeningen zal moeten kopen, want dat ik moet beseffen hoeveel geld dat kost.
Ik hoor verdriet, teleurstelling, berouw, woede en het trillen der stembanden. Haar woorden gutsen over me als golven van pijn die minder met tekeningen te maken hebben dan met echtelijke situaties, en godverdomme, wat heeft hij nu weer uitgevreten om zijn echtgenote zo chagrijnig te maken.
Hij biedt wel enig weerwerk, maar niet veel. Hij zegt dat hij de voorbije jaren wél tekeningen verkocht heeft, dat het tekenmateriaal niet zo gek veel geld kost, dat hij nog papier liggen heeft, dat hij die tekeningen al gemaakt heeft en dat hij ze alleen nog maar moet uitvergroten, hij zegt dit en hij zegt dat. Ik beaam wat hij zegt, zoals ik ook beaamd heb wat zij eerst gezegd heeft, maar ik heb al lang begrepen dat er van mijn voorstel niets in huis zal komen en ik besluit wijselijk om van onderwerp te veranderen.
Ik begin hun over mijn leven te vertellen, ernst en prietpraat door elkaar — het leven zoals het is —, over mijn onhandelbaarheid, ik vertel hun over al de mensen waartegen ik niet meer spreek, en dat zijn er niet weinig, en het zijn ook nog eens degenen die zijn tekeningen moeten kopen, wat uiteraard een probleem is. Ik vertel hun over de tijd waarin ik beslist heb om de huwelijksval aan mij voorbij te laten gaan. En ik vertel over mijn klein pensioentje. Alles door elkaar. Ik vertel over mijn gebrek aan gastvrijheid en ik vertel hun dat ik een egoïst ben waarmee ikzelf nooit zou willen samenwerken, omdat ik altijd mijn eigen weg ga en daarbij over iedereen heenstap, en ik vertel hun over de weerzin die ik voel wanneer ik bij getrouwde koppels op visite ga. Ik vertel hun dat ik me afvraag hoe mensen zo’n knellend bestaan kunnen volhouden, terwijl het voor mij overduidelijk is hoe benauwd die huwelijken zijn en ik vertel hun dat mijn kleinkinderen niet tegen mij willen spreken omdat ze zich afvragen wie die vreemde man is die hun telkens weer vraagt hoe ze juist heten en hoe oud ze inmiddels al zijn. Wat ik ook vertel is dat ik eraan denk mijn telefoon in de gracht te smijten. 
Wat ik hun met dat alles duidelijk maak is dat ik niet zo'n sympathieke mens ben, dat ze voor de zakelijke kant van de zaak bij mij echt wel aan het verkeerde adres zijn en dat ik het voorstel dat ik zojuist geformuleerd heb alweer vergeten ben. Waardoor het toch nog een gezellige middag wordt met koffie, koetjes, pannenkoeken en kalfjes.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen