dinsdag 13 september 2016

Houthakkers

— Nonkel Miel aan 't werk in Amerika. (Foto familiearchief) —
Almaar meer Europeanen staken de plas over om Amerika te koloniseren. Ook mijn grootvader had een oom die de oversteek gewaagd had, nonkel Miel. In Amerika kwam die aan de kost bij houthakkers die boskappend het land veroverden — Go West! Het hout brachten ze naar de steden die achter hen uit de grond rezen. Daar werd het gebruikt om huizen te bouwen en om die huizen te verwarmen.
Die keer waren ze op een enorm bos gestoten. Ze kapten en kapten en toen ze ongeveer de helft van dat bos weggekapt hadden ontstond er wrevel. De mannen waren aan rust toe en ze stuurden nonkel Miel naar de voorman om hun grieven kenbaar te maken.
Allemaal goed & wel, zei Nonkel Miel tegen de voorman, maar we hebben nog nooit zo’n grote stapel bijeengekapt. Die krijgen ze in de stad nooit opgestookt.
Daar zegt gij iets, zei de voorman, maar dat zegt ge omdat ge niet weet hoe streng de winter zal zijn.
Daar had de voorman een punt. Maar, antwoordde nonkel Miel die niet op zijn mondje gevallen was, gij weet dat evenmin. Het weder is in dit land voor ons allen een grote onbekende. We gaan geen boom meer kappen vooraleer we een degelijke weersvoorspelling hebben. We leggen het werk neder, we staken. De mannen begonnen te kaarten en de voorman krabde in zijn haar.
Een inlandse gids vertelde hem over een indiaan die het weer kon voorspellen. Die oude wijze indiaan woonde bovenop de top van de hoogste berg.
De voorman zadelde zijn paard en reed ernaar toe, een tocht van vele dagen, door berg en dal, tot wanneer hij op de top van de hoogste berg bij de oude wijze indiaan kwam. Daar vroeg hij hem, na enige plichtplegingen, of het een strenge winter zou worden.
De wijze indiaan legde zijn hand boven zijn ogen om het zonlicht af te schermen, keek over de vele bergen heen, staarde in de verte, mompelde iets en zegde vervolgens: Ugh, het zal voorwaar een harde winter worden.
— De oude indiaan woonde op de top van de hoogste berg. (Artist impression) —
De voorman gaf zijn paard de sporen en hij ijlde terug naar de houthakkers. Aan de slag, riep hij, het zal een harde winter worden. De mannen namen de bijl weer ter hand en kapten nog een kwart van dat bos weg. Waarop de wrevel zich herhaalde, nonkel Miel weer naar de voorman ging en de voorman weer zijn paard zadelde en weer die indiaan ging opzoeken.
Weer legde de wijze een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de verte, weer mompelde hij iets, maar nu zegde hij: Ugh, het zal een extreem harde winter worden, extreem hard.
De voorman ijlde weer terug naar de houthakkers. Het zal een extreem harde winter worden, zegde hij, extreem hard. De mannen namen de bijl weer ter hand en kapten nog een stuk van het bos weg. Toen daar nog maar enkele tientallen bomen restten herhaalde de wrevel zich, want de laatste loodjes enzovoort… Waarop de voorman weer zijn paard zadelde.
Weer legde de wijze indiaan een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de verte, weer mompelde hij iets, maar nu zegde hij: Ugh, het wordt ongetwijfeld de hardste winter die het land ooit gekend heeft.
De voorman zegde nu: Maar chef, kunt ge mij ook uitleggen hoe ge weet dat het de hardste winter ooit zal zijn?
Wel zeker, antwoordde de oude wijze man, ik zal het u tonen. Ze legden nu beiden een hand boven de ogen om de zon af te schermen. Kijk, zo weet ik dat, zei de indiaan en hij wees in de verte: Ziet ge ginder ver die houthakkers…

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen