![]() |
DE HOUTHAKKERS WAREN op een enorm bos gestoten. Ze kapten en kapten en
toen ze de helft van dat bos weggekapt hadden ontstond er wrevel. De mannen stuurden Miel naar de voorman om hun grieven
kenbaar te maken.
'Allemaal goed & wel', zei Miel tegen de voorman, 'we hebben nog nooit zo’n grote stapel bijeen gekapt. Die krijgen
ze in de stad nooit opgestookt.' De voorman, antwoordde: 'Dat zegt
ge omdat ge niet weet hoe streng de winter zal zijn.' Hij had een punt. 'Maar',
antwoordde Miel die niet op zijn mondje gevallen was, 'gij weet
dat evenmin. Het weder is een grote onbekende. We
gaan geen boom meer kappen vooraleer we een degelijke weersvoorspelling hebben.' De mannen begonnen te kaarten en de voorman krabde in
zijn baard.
Een gids vertelde hem over een indiaan die het weer kon
voorspellen. Die oude wijze woonde bovenop de top van de hoogste berg. De voorman zadelde zijn paard en reed naar de indiaan, een tocht van vele
dagen, door berg en dal. Daar vroeg hij, na enige plichtplegingen, of het een strenge
winter zou worden. De oude, wijze indiaan legde zijn hand boven zijn ogen om het zonlicht
af te schermen, keek over de vele bergen heen, staarde in de verte, mompelde
iets en zegde vervolgens: 'Ugh, het zal voorwaar
een harde winter worden.' De voorman gaf zijn paard de sporen en ijlde terug naar de houthakkers. 'Aan de slag', riep hij, 'het zal een harde winter worden.' De mannen namen de bijl weer ter hand en kapten nog een kwart van dat
bos weg. Waarop de wrevel zich herhaalde, Miel weer naar de voorman ging
en de voorman weer zijn paard zadelde en weer die indiaan ging opzoeken.
Weer legde de wijze een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de
verte, weer mompelde hij iets, maar nu zegde hij: 'Ugh, het zal een extreem harde winter worden, extreem hard.' De voorman ijlde weer naar de houthakkers. 'Het zal een extreem harde winter worden', zegde hij, 'extreem hard.' De mannen namen de
bijl weer ter hand en kapten nog een stuk van het bos weg. Toen daar nog maar
enkele tientallen bomen restten herhaalde de wrevel zich, want de laatste
loodjes enzovoort… Waarop de voorman weer zijn paard zadelde. Weer legde de wijze indiaan een hand boven zijn ogen, weer keek hij in de verte, weer mompelde hij iets, maar nu
zegde hij: Ugh, het wordt ongetwijfeld de
hardste winter die het land ooit gekend heeft.'
De voorman zei nu: Maar chef, kunt ge
mij ook uitleggen hoe ge weet dat het de hardste winter ooit zal zijn?
'Wel zeker', antwoordde de oude wijze man, 'ik
zal het u tonen. Ze legden nu beiden een hand boven de ogen om de zon af te
schermen. 'Kijk, zo weet ik dat', zei de indiaan en hij
wees in de verte: 'Ziet ge ginder ver die houthakkers…'

Geen opmerkingen:
Een reactie posten