woensdag 28 december 2011

Georges Brassens… anarchist

Brassens in 1964
Er worden nogal wat kunstenaars aangetrokken tot het anarchisme. In Frankrijk alleen al treffen we vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw in en vooral rond de anarchistische beweging surrealisten aan, maar ook de schrijver Albert Camus, dichter Jacques Prévert, chansonnier Léo Ferré en verder Boris Vian, Armand Gatti, Michel Ragon, Benoist Ray, Bernard Lavillier, Tardi, Laborit…
Ook de chansonnier en dichter Georges Brassens (1921 - 1981) wordt in de najaren veertig door dat anarchisme aangetrokken. Daar waar veel andere kunstenaars zich anarchist verklaren zonder daarbij ook maar enige aandrang te voelen er militant werk aan te koppelen, ligt het bij Brassens anders.
Hij is achttien als hij uit zijn geboorteplaats Sète naar Parijs trekt.  Hij gaat er o.a. in de Renaultfabrieken werken.  Tijdens de oorlog wordt hij verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Begin 1946 biedt hij zich aan in het lokaal van het weekblad Le Libertaire, het blad van de Franse Anarchistische Federatie (dat vandaag nog altijd het knappe Le Monde Libertaire uitgeeft) en hij wordt er meteen een vaste medewerker van, zelfs mederedacteur.  Bovendien houdt hij de Parijse boekwinkel van de anarchisten open.  In 1946 en 1947 schrijft hij een twintigtal kronieken voor het weekblad, stukken die hij meestal met Géo Cédille ondertekent en die gretig gelezen worden, ook al omdat Le Libertaire in die tijd op honderdduizend exemplaren gedrukt wordt.   Daarenboven wordt hij daadwerkelijk lid van de Federatie en is hij actief in de anarchistische kern van Parijs XV.  Van die kern wordt hij korte tijd later de secretaris.
De anarchisten behoren trouwens bij de eersten die het talent van Georges Brassens (die op dat ogenblik nog een illustre inconnu is) (h)erkennen.  Henri Bouyé, mederedacteur van het weekblad, brengt Brassens in contact met de chansonnier Jacques Grello.  Deze laatste probeert hem in de publieke belangstelling te brengen.  Dat gebeurt lang zonder succes, tot Brassens een vaste stek vindt in het cabaret Patachou in Montmartre.
De passage van Brassens bij de anarchisten is hevig geweest, zo leren we van Marc Wilmet die de krantenstukken van Brassens uitgeplozen heeft en opnieuw gepubliceerd. (*)  Die passage is tegelijk ook kort geweest.  In een recent gepubliceerd brievenboek ('Brassens.  Lettres à Toussenot. 1946 - 1950') kunnen we lezen dat Brassens die anarchisten ook al vlug weer beu is.  Op 12 januari 1947 schrijft hij: 'Sinds maandagavond ben ik niet meer verantwoordelijk voor de Libertaire.  De jongste twee nummers werden gemaakt door degene die me wellicht zal vervangen (André Prudhommeaux).  Het zou te lang duren om je de redenen van mijn ontslag uit te leggen (…)  Ik moet je bekennen dat ik erdoor opgelucht ben.  Mijn leven was niet langer draaglijk op die manier en de aanvallen van onnozelaars putten me uit.
Janine Marc-Pezet die het brievenboek verzorgde zegt daarover: 'Brassens heeft zich bij de anars inderdaad goed thuis gevoeld, maar hij was geen anarchist, daar bestaat geen twijfel over.  Ik zou hem meer als een vrijdenker definiëren.  Hij en Prévert zijn zo vrij dat ze misschien wel tè vrij zijn om anarchist te zijn.'
Toch laat Brassens de anarchistische beweging niet helemaal los.  Halverwege 1948 is hij nog van plan deel uit te maken van een ploeg die een blad met de niet verkeerd te begrijpen titel 'L'Anarchiste' wil uitgeven.  In 1953 treedt hij nog gratis op ten voordele van de anarchisten.  Maar hij wordt er liever niet meer mee vereenzelvigd.  André Tilleu, een van zijn biografen zegt hierover: ‘Eens hij beroemd geworden was wilde [Brassens] niet meer verwijzen naar die tijden, zelfs al was zijn anarchistische geloof intact gebleven. (…) Hij wilde op die manier trouw blijven aan zijn publiek dat hem als Brassens-zonder-meer had leren kennen.
Wilmet weet ook dat Brassens, inmiddels een succesvol chansonnier geworden, het weekblad Le Monde Libertaire ook later discreet blijft steunen. Wilmet toont verder aan dat er niet echt een kloof ligt tussen de artikels die de Brassens in de Libertaire schreef en de liedjesteksten van de beroemd geworden chansonnier.
Maar een volbloed anarchist is Brassens dus nooit geweest.  Zelf zegt hij hierover: 'Ik ben een activist geweest toen ik 23-24 jaar was.  Het was vooral de anarchistische moraal die het dichtste stond bij wat ik geloofde, bij wat ik dacht: een zin voor vrijheid, het leger weigeren en ook het autoritarisme, de wet negeren, de noodzaak aanvoelen dat de mens zijn eigen zaken moet beheren.  Het was meer zoiets.  Maar ik ben ik ben daar niet erg diep op ingegaan toen ik zag dat die ideeën mij bevielen; ik heb het daarbij gelaten.'
Vandaar wellicht ook dat hij de mensen niet echt van zijn anarchisme wil overtuigen.  Het is voor hem zoals hij het zelf zei in ‘Le vieux Normand’:
C’est à toi d’en décider, choisis!
A toi seul de trancher s’il vaut mieux
Dire ‘Amen’ ou ‘merde à Dieu.’
Flor Vandekerckhove
(*) Marc Wilmet, ‘Georges Brassens, libertaire’, 2de druk, uitg. Les éperonniers, 2000
Een reactie plaatsen