zondag 25 december 2011

Kerst der eenzamen

Kerst der eenzamen. (tekening Jo Clauwaert)
Het begon pas te dagen en ik stond al op straat, ergens in de stad waar het leven nog niet op gang gekomen was. Zopas was ik ongeschoren, ongekamd en ongewassen een flatgebouw ontvlucht.  Mijn kleren roken naar braaksel en mijn oksels naar zweet.  Ik voelde me nog dronken.  Ik zwoer dat ik dit nooit meer zou meemaken.
Sinds ik deze blog schrijf, leg ik mezelf een ijzeren discipline op. ‘s Ochtends ben ik al bezig als de eerste lassers op de kaai toekomen en als ze ‘s avonds naar huis gaan, brandt de lamp nog altijd boven mijn bureau.  Nadat ik mijn blog gepost heb, maak ik een wandeling met de hond. Ik loop een eindje langs het strand, heel dicht bij de golven en snuif het jodium op.  Daar word ik rustig van.  Om middernacht ga ik naar bed en vijf tellen later slaap ik de rustige slaap van lieden die weten dat hun dag goed gevuld geweest is.
Daar is één uitzondering op.  Kerstavond, want dan ga ik uit.  Er is niet veel open op zo’n avond, maar waar ‘t wèl open is, daar wil ik zijn. Daar zitten we dan samen, wij, de eenzamen, en naarmate de nacht vordert, geraken we aan lager wal.
Dat was ook dit jaar weer het geval.  Het was allemaal flink uit de hand gelopen.  Iemand was van z’n kruk gevallen, er waren ruzies ontstaan, de waard had in zijn onderbroek staan dansen en ik, ik voelde me tussen mijn gelijken.
Het is bekend dat alcohol de lusten wekt. Dat gebeurt op zo’n kerstavond bij mij zo bovenmatig dat ik mezelf niet meer herken, want gedurende de rest van het jaar leid ik ter zake een heel rustig leven.
Maar zo’n kerstavond is anders.  Dan denk ik niet meer aan mijn werk of aan m’n schulden, dat zit dan allemaal veilig geborgen, ergens in een achterhoek van mijn hersenen en het komt er niet uit vooraleer kerst voorbij is.
Wij zaten in de Lonely.  Er werd gebeld.  De Lonely is een privébar en je komt daar niet zomaar binnen.  Je belt en de barman kijkt of je eenzaam genoeg bent om binnengelaten te worden.
Die vond het blijkbaar goed en er kwamen twee oude vrouwen binnen.  Ik schatte ze goed zeventig jaar.  Ze waren teut en ze werden enthousiast in de kring opgenomen.  Er werden nieuwe rondjes besteld, er werd te hard gelachen, iemand liet een luide wind, links en rechts brak er een glas en regelmatig viel weer iemand anders van zijn kruk.  Ik vond het allemaal zeer aangenaam terwijl ik daar aan de hoek van de bar stond en één voor één mijn pilsjes dronk. 
De twee oude vrouwen vonden het blijkbaar ook prachtig.  Eentje ging erbij zingen, oude trieste schlagers uit betere tijden.  Ze zong met een vibrerende stem; een geschoolde sopraan, aangetast door de alcohol. We waren allemaal ontroerd, zoals alleen eenzamen dat kunnen zijn. Maar we lieten het niet blijken, want er was geen plaats voor triestheid in de bar der eenzamen.
De vrouw, die midden dat tumult stond te zingen, was waarschijnlijk een weduwe die na de dood van haar man aan lager wal geraakt was en die het vroeger nooit gedurfd zou hebben een bar als deze te betreden.  Ze had veel in te halen en deed erg haar best. Haar vriendin was anders. Zij zou een schrijfster geweest kunnen zijn, iemand die veertig jaar geleden boeken schreef en die dan voor de keuze gestaan had, schrijven of drinken. En die voor het laatste gekozen had.  Ze was goed gekleed, haar kapsel verzorgd en ze rookte de ene Dunhill na de andere.  Eigenlijk was ze best een mooie vrouw, getekend maar mooi, schoon maar triestig.
Ik werd verliefd.  Dat wil zeggen… ik werd bezeten door een drift die haast niet menselijk is.  Ik wìlde die oude, eenzame vrouw.  Ik besefte hoe lachwekkend het was, ik voelde mezelf belachelijk en wist dat iedereen in de bar er hard om zou lachen, maar er was geen houden aan. Langzaam maakte ik me los van de tapkast en ging op haar af.  De zingende vriendin hield me tegen. ‘Ach’, zei ze, ‘ach mooie jongen, zou je ons geen glas aanbieden, is er dan niemand meer die hoffelijk is in dit tranendal?’  Ik wilde niets liever en bestelde een bier voor mij, een neutje voor haar en een whisky voor haar vriendin, die ik nu de mooiste ter wereld vond.  Ik wilde het haar ook zeggen, want ik was echt niet meer te houden, maar het zingende mens had me in een stevige handgreep en zong : ‘Du, du, oh du allein...’
Ik moest erom lachen en die mooie uitgeteerde vriendin van haar ook.  Er kwam een glimlach op haar lippen, die haar de schoonheid gaf van een, weliswaar gevallen, engel.  Ik wachtte op het einde van het lied.
Om het gesprek de wending te geven die ik nodig vond, zei ik meer tegen de engel dan tegen de solozangeres : ‘Hebben jullie ooit een triootje geprobeerd?’  Ik had het veel te luid gevraagd.  Er viel een stilte in heel de bar en iedereen keek me aan.  Het was duidelijk dat ik te ver gegaan was.  Ik had de regels van de eenzaamheid geschonden, regels die zeggen dat je wel in je onderbroek mag dansen, maar niet mag aanpappen met gepensioneerden.  Ik had de kerstavond der eenzamen ontheiligd.
Het kwam erop aan vliegensvlug iets te bedenken.  Ik vond zo niet onmiddellijk iets en maakte me klaar om hard te gaan lachen, ten teken dat het me niet menens was, dat het deel uitmaakte van de eenzaamheid en het er de grenzen niet van overschreed.  Maar vooraleer ik mijn lach kon lanceren, verbrak de verschraalde sopraan de stilte. ‘J’attendrai...le jour et la nuit...j’attendrai toujours...,’  Blijkbaar was het een bekend lied onder eenzamen en in minder dan geen tijd was er een koor gevormd : ‘car l’oiseau qui s’enfuit / vient chercher l’oubli dans son nid...’
Terwijl de meute verder zong, zwegen de twee vrouwen.  Ze wisselden onderling een blik en keken me dan aan, recht in de ogen.  We hadden elkaar goed begrepen.  Ik voelde meteen de warmte in mijn buik.  ‘Kom’, zei mijn engel. Ze grepen hun jas en ik ging met ze mee.
In een opperbeste stemming liepen we de kerstnacht in.  Ik tussen mijn twee oudjes, alle drie gearmd.  We waren een steun voor elkaar en we hadden die hard nodig.  We gingen een flatgebouw binnen en in de lift maakten we veel plezier.  Ik voerde er mijn kunstjes op en ze lachten en giechelden als bakvissen. 
Het appartement was luxueus.
We waren nog niet goed binnen of de twee besprongen elkaar en de sofa.  Ze deden het met een lenigheid die ik van hen niet verwacht had.  Ze begonnen prompt te vrijen.  Ze kusten en streelden elkaar dat het een lust was.  Ik wist niet wat te doen.  Hadden ze me buitengesloten?  Wilden ze me opjutten?  Ik wist het niet.  Ik was zo’n situaties niet gewoon.  Twee gepensioneerden… 
‘Waar is de badkamer?’ vroeg ik.  Terwijl ze verder vrijden wees een van de vier armen naar een deur.  Ik ging binnen en ging daar op een krukje zitten. In het midden stond een groot rond bad, half ingebouwd in de vloer, erg praktisch voor oudere dames. Ik liet het water stromen en nam een bad dat me enigszins te been hielp.  Ik bekeek de flesjes en zalfjes en probeerde me te scheren met de ladyshave, maar dat ging niet erg goed.
Toen ik poedelnaakt weer in de kamer kwam, schrok ik me een breuk.  Mijn engel zat stilletjes te wenen en de weduwe lag uitgestrekt op de grond.  Ze was wit als sneeuw. Ze zag er dood uit.  Ik stamelde : ‘Wat is er?  Wat is hier gebeurd?’  Geen antwoord. 
Ik ging tot bij de weduwe (wijlen de weduwe?) en nam haar hand die koud was. Ik probeerde haar ogen te openen maar die vielen weer dicht.
‘Godverdomme,’ schreeuwde ik, ‘dat mens is dood.’  Toen de vrouw, die ik daarnet nog mijn engel genoemd had, niet reageerde, geraakte ik in paniek. Wat deed ik hier eigenlijk?  Straks zou het hier een heksenketel zijn.  Er zou een dokter komen en politie en een ploeg van het laboratorium en lijkschouwers en journalisten en buren en er zou niets meer aangeraakt mogen worden en ik… ik stond daar poedelnaakt, midden in de nacht, dronken nog wel, bij twee vrouwen die best mijn grootje geweest hadden kunnen zijn en misschien, wat zeg ik, hoogstwaarschijnlijk, was dat mens geen natuurlijke dood gestorven, wellicht had die zogezegde engel wel ernstige afwijkingen, misschien was het mens gewoon pervers, ja misschien was ze wel een oude lustmoordenares. 
Wie zou er geloven dat ik met die hele affaire niets te maken had, dat ik op het moment van de feiten een bad nam?  Wie zou er geloven dat niet ik, maar het oude uitgeteerde mens over de schreef gegaan was?  Ik had godver geen been om op te staan.  De verlepte engel zou ongetwijfeld alles ontkennen en mij als schuldige aanwijzen. Het zou haar woord tegen het mijne zijn. En iedereen zou haar geloven.
Ik moest handelen.  Ik aarzelde geen seconde meer en trok mijn kleren aan.  Dat ging niet gemakkelijk.  Ik was dronken en had de grootste moeite mijn kleren uit elkaar te houden.  Mijn jas nog in de hand, mijn das in de andere, en met mijn schoenveters open, verliet ik het appartement en terwijl ik mij stond te ergeren op de lift die maar niet kwam, hoorde ik vaag iemand lachen.  Toen de lift er eindelijk was, hoorde ik dat het niet één mens was die lachte, maar dat er twee aan ’t lachen waren. En al dat gelach kwam uit de flat… waaruit ik zojuist…
Ik duwde op de knop van de benedenverdieping. Ik zweette.  Ik kreeg het ijskoud. Ik zag sterretjes en braakte de lift onder terwijl hij me naar beneden bracht. Het cijfer nul lichtte op en de deur ging open.
De twee hadden me voor de gek gehouden.  Ze hadden een toneeltje opgevoerd. Ik veegde het braaksel van mijn broek en stak een sigaret op. Ik stond op een stoep, ergens in de stad.  Ik wist niet goed waar ik was en nog minder welke kant ik uit moest, maar ik had wel, ter lering en vermaak van mijn lezers, een stichtend kerstverhaal op zak.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten