dinsdag 21 februari 2012

Meneer Heim en de consul

Het salon van PDG Lucien Decrop, grandeur uit het midden
van de XXste eeuw, zoals ik het onveranderd aantrof op de drempel
van de XXIste eeuw.
[Herinneringen] — In 2000 richtten enkele ondernemers uit de visserij een vereniging op, de vzw Cogito.  Bedoeling was onderzoek te verrichten naar een nieuw type vissersvaartuig.  Ik werd door die vzw in dienst genomen om de studie uit te voeren.
Daardoor kwam ik in een gebouw terecht dat eertijds toebehoord had aan de familie Decrop, ooit toonaangevend in de visserij. Ze was eigenaar geweest van een vissersvloot, visverwerkingsbedrijven, een nettenmakerij, touwfabriek, diepvriesinstallaties… Het gebouw ademde grandeur uit, temeer omdat de vergaderzaal en de directielokalen onveranderd gebleven waren.  Parket, hoge plafonds, oude eik, scheepsmodellen, duur meubilair uit de fifties, marines…
Veel plaatsen in dat gebouw werden niet meer gebruikt, maar twee ervan nog wel.  Ze werden van elkaar gescheiden door een indrukwekkend lange gang.  Aan het ene uiteinde ervan kreeg ik een bureau toegewezen.  Helemaal aan het andere uiteinde bezette de oude Charles Decrop, consul van Duitsland, twee kantoren.  Tussen ons lagen niet langer gebruikte directielokalen en -salons, alle bewaard in de oorspronkelijke staat, een soort sarcofagen van het kapitalisme ter zeevisserij. (Tijdens dat jaar heb ik daar in het directiesalon eens de liefde bedreven. Omdat het tijdens mijn werkuren gebeurde, kreeg het begrip ‘betaalde seks’ in dat jaar voor mij een andere betekenis. Maar dit helemaal terzijde.)
Een consulaat heeft in Oostende niet zoveel te doen.  Toch beschikte het Duitse consulaat over een behoorlijke staf. De consul kon rekenen op een secretaresse en er was meneer Heim die als portier fungeerde. Alle drie waren ze de pensioenleeftijd voorbij.  Stipt om negen uur kwamen die drie knaken daar elke dag bijeen.
Dagelijks voerden ze vervolgens een ritueel uit dat ik niet onmiddellijk begreep.  Elk om beurt liepen ze de lange gang af, voorbij mijn bureau en verder naar beneden om meteen ook weer naar boven te komen en hoofdschuddend de terugweg door de lange gang aan te vatten.  Meneer Heim ging altijd als eerste. Enige tijd later was het de beurt aan de secretaresse en dan weer aan Heim. Een enkele keer ondernam de consul zelf die tocht.  Uiteindelijk kwam ik te weten dat ze elk om beurt naar de brievenbus trokken, hopend dat de facteur enige post (werk!) gebracht zou hebben. Wat, zo mocht ik constateren, zelden het geval was.
Ik was in dat gebouw in een bevreemdende wereld terechtgekomen die erg verschilde van de activiteiten die buiten op de kaai, in de echte wereld, plaatsgrepen. Achter de muren van dat gebouw bevond zich een fantasiewereld. Enerzijds was mijn eigen werk al tamelijk onwezenlijk, omdat ik wist dat ik met iets bezig was dat nergens toe zou leiden. Anderzijds was er dat consulaat dat overduidelijk nergens om ging.
De consul en meneer Heim waren kleurrijke personages.  De eerste was een telg uit een roemrijk geslacht, steenrijk geworden en verfranst.  Hij deed letterlijk niets. Wanneer hij cash nodig had, nam hij de secretaresse met zich mee om in zijn plaats het geld uit de muur te halen.  Wat hij wel deed was sigaretten roken. Tegen de tijd dat hij weer naar huis reed, stond heel het consulaat onder de rook.
Meneer Heim was zijn opponent en ze kibbelden voortdurend om alles. Heim was geheelonthouder en de consul was verslaafd aan alles; de consul trok zich nergens wat van aan en Heim was een gezondheidsfreak; Heim was een communist van het soort dat vindt dat Stalin een hele pief was, de consul was een kapitalist van het Bourgondische type.  Heim had ijzeren meningen, de consul was de vleesgeworden cynicus; Heim had smetvrees, de consul leefde in het overdadig aanwezige stof van de bourgeoischic. En Heim kon geen Duitsers verdragen.
Ooit had Heim in Oostende een televisiezaak uitgebaat (de winkel bestaat nog en draagt nog altijd zijn naam). Voor de rest was hij begiftigd met een buitengewoon grote fantasie die het voor mij moeilijk maakte Dichtung und Wahrheit van elkaar te onderscheiden.
Heim was verzetsman geweest. Ooit had hij een aanslag op Hitler gepland, maar hij werd teruggefloten door de Joodse wereldraad.  Hij had nog steeds connecties met de MI5.  Voor die Britse geheime dienst ontwierp hij nog altijd spionagemateriaal. Hij had, zo zei ik al, erg veel fantasie. Ik geraakte met de man bevriend.
Op een dag kwam er een telegeleid speelgoedautootje mijn kantoor binnengereden. Heim glunderde.  Hij wilde het ombouwen tot een toestel waarmee de spionnen van MI5 van op veilige afstand vijanden zouden afluisteren.  
Ik geraakte bij de testen betrokken. Vanuit mijn bureau stuurden we het omgebouwde autootje de lange gang door en lieten het daar op het einde het Duitse consulaat infiltreren.
Helaas slaagden we er nooit in de consul daadwerkelijk af te luisteren. Kwam het doordat daar niets gezegd werd? Bleef het stil door het ondoordringbare rookgordijn dat de kettingrokende consul rond zich optrok? Natuurlijk niet. Onze experimenten waren regelrechte onzin, passend in dat gebouw waar de menselijke fantasie hoogtij vierde. Wat me er dan weer liet aan denken dat ik een nieuw vissersschip te ontwerpen had. 'Weet jij…' zo vroeg ik meneer Heim, 'of er ooit al iemand geweest is die geprobeerd heeft te vissen met een duikboot?' Heim glunderde.
Flor Vandekerckhove
(De consul en meneer Heim zijn inmiddels overleden.)
[Wie op het onderstaande label drukt, vindt in de blog soortgelijke herinneringen terug.]

Een reactie plaatsen