dinsdag 7 februari 2012

Afscheid van een camionette

Dit is niet de camionette van Flor
Vandekerckhove, maar wel
een hele mooie. 
Ooit, ooit is er een tijd geweest waarin de GPS niet bestond. Reizigers waren in die tijd aangewezen op landkaarten, vermoedens, wegwijzers, de overheersende windrichting, douanekantoren, instinct  en de stand der sterren.  In die tijd placht ik regelmatig met een camionette Frankrijk te doorkruisen om in de Languedoc een huisje te verbouwen dat ik daar voor een appel en een ei gekocht had.
Verschillende keren per jaar stuwde ik die wagen vol met afdankertjes uit de consumptiemaatschappij: kachel van de buurman, badkuip van een advocaat, keuken van een barhouder, fauteuil van een raamprostituee, trap uit een gesloopt vissersvaartuig, salonmeubilair dat een sluikstorter achtergelaten had… Alles perfect bruikbaar voor mensen die onwel worden als ze de term design horen uitspreken. Bovenop die spullen legde ik een matras om onderweg ook eens goed te slapen. 
Een kaart lezen kan ik nauwelijks en mijn oriëntatievermogen is nihil, want niet alleen Gods wegen zijn voor mij ondoorgrondelijk, maar toch leerde ik me gaandeweg een heel eigen weg door Frankrijk te banen, een traject dat me naadloos ter bestemming bracht, alhoewel het gebaseerd was op vergissingen, omwegen, wankele ijkpunten, mis begrepen informatie van voorbijgangers en verkeerd uitgevallen intuïtie.
Door de jaren heen geraakte de bestelwagen versleten en het huisje verbouwd. Nog één keer had ik een groot werk uit te voeren en daarna zou de auto afgedankt worden. Ik toog met de camionette ten laatste male op pad.  In de auto zaten zakken gips, een boomzaag, een pak kleren dat ik in het huisje wilde achterlaten, aardappelen, flessen sprankelend water, belegde broodjes, een reserve aan diesel en een matras. Ja, ik kan me er nu wel voor schamen, maar de waarheid is dat ik reisde op z’n Nederlanders.
De motor maakte bij het vertrek merkwaardige geluiden, schokte, steunde en zuchtte om me te duidelijk te maken dat het echt wel de laatste keer was, een boodschap die ik zeer ter harte nam, want ik was gaandeweg van mijn karre gaan houden. Doe je best, zei ik, ’t is de laatste keer.
Ik vertrok tegen de middag en ‘s avonds had ik, dure Franse snelwegen ontwijkend, al zo’n zevenhonderd kilometer afgelegd. Ik was eerst Arras gepasseerd, op weg naar Parijs had ik vervolgens tal dorpen, stadjes en parochies gerond, in Parijs zelf had ik de straatverkoper op zijn vertrouwde plaats zien staan waardoor ik wist dat het tijd was om linksaf te slaan,waarna ik bij het verglijden van de dag tal van mij welbekende provinciesteden achter me had laten liggen. Ervaring leerde me dat ik op weg was naar Clermont Ferrand, een de stad die ik nog wilde passeren om daarna een leuke slaapplaats te zoeken. 
Het was kalm op de weg, de camionette maalde zuchtend de kilometers, de avond liet me een indrukwekkend mooie sterrenhemel zien en op de radio waren Fransen aan ‘t discussiëren zoals alleen Fransen dat kunnen.  ‘t Was allemaal pais & vree tot de motor uitviel.  Ik kon de auto nog laten uitbollen, naast de weg parkeren en daar stond ik dan in the middle of nowhere
Geen probleem.  Ik had eten aan boord, verse kleren, een telefoon en ik kon even goed ter plekke blijven kamperen.  Ik prepareerde een broodje, keek naar de sterren, mediteerde over de eindigheid van mens en camionette, legde mijn hoofd te rusten en kwam pas tegen tien uur ’s morgens weer wakker. Zon, vogelgezang. Koffie uit de thermos. Velden. Er passeerde geen kat.
Nadat ik een beetje over en weer gelopen had om te weten waar ik me bevond, belde ik Touring, een organisatie die binnen het uur uit het niets een takelwagen liet aandraven, een prestatie waarvan ik onder de indruk geraakte, want ik had juist een tafel en een stoeltje ontplooid, een boek aangesneden en hop, ik mocht alles alweer dichtplooien. 
De garagehouder takelde mijn camionette op de zijne en zo togen wij samen naar ‘s mans onderneming in een voorstadje van Riom, een beetje vergelijkbaar met het industriepark van Gistel.
De motor bleek perte totale te zijn en ik begon over en weer te bellen om te kijken wat Touring voor mij kon doen. Er bleek een ruime keuze te bestaan aan gratis mogelijkheden: met een vervangwagen verder trekken (wat het voordeel had dat ik mijn geplande werken kon uitvoeren), met een vervangwagen naar huis rijden (wat het voordeel had dat ik mijn materiaal kon recupereren) of met de trein in deze of gene richting rijden (wat het voordeel had dat ik mijn boek kon uitlezen). Al die mogelijkheden werden meteen uitgeschakeld toen Touring erachter kwam dat de auto niet op mijn naam geregistreerd stond. Ook hoorde ik dat repatriëring van die auto afhankelijk was van de omgekeerde verhouding tussen de kostprijs van de reparatie en de leeftijd van het vehikel.  Die omgekeerde verhouding zat verschrikkelijk fout.
Een uur later nam ik op eigen kosten de trein. In mijn bagage zat een boomzaag. Om 1 uur ’s nachts was ik alweer in Oostende.  Het boek dat ik ‘s morgens geopend had, was tegen die tijd helemaal uitgelezen.
Ik leverde mijn nummerplaat in en dacht daarna zo nu en dan nog eens aan de Franse garagehouder die niet alleen mijn aardappelen had mogen opeten, maar zijn huis in Riom ook gepleisterd had met gips uit de Brico van Oostende.
Enkele weken geleden zag ik in het nieuws hoe zwaarbewapende Talibanstrijders met mijn camionette over de bergen van Afghanistan hotsten. Allahoe akbar.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen