vrijdag 3 februari 2012

Jo, Joo en Jooo

Van L. nr R.: Jo Clauwaert, Tania Menu, Luiz Marquez (foto Kay D.)
De schrijver schreef zijn laatste verhaal.  Nog een keer, zo had hij gedacht, nog één keer probeer ik mezelf de eeuwigheid in te schrijven. 
Die eeuwigheid had hem een schrijversleven lang beziggehouden. Waardeloze pretentie was dat natuurlijk, al te zeer in contrast met de vaardigheden van deze schrijver die in alle opzichten een minor writer genoemd mocht worden. Als zijn verhalen al gepubliceerd werden, dan was het door obscure uitgeverijtjes die niet eens in staat waren hem de volgende maand in te schrijven, laat staan de eeuwigheid.
Op die manier zal het me niet lukken, zo had de schrijver gaandeweg leren inzien.  Daarom schreef hij zijn vriend Jo een brief waarin hij hem zijn nieuwe plan uitlegde.  In die brief kopieerde hij het verhaal dat hij zojuist aangevat had. Hij voegde er een woord vooraf aan toe waarin hij zijn vriend bezwoer dat verhaal aan zijn nageslacht voort te vertellen.
De schrijver had dat goed gezien.  Jo was niet alleen een goeie vriend, maar ook een goeie opa.  Welhaast dagelijks werd zijn huis belegerd door massa’s kleinkinderen die daar door hun ouders, in al te drukke doen, gedumpt werden. Dus deed Jo nog dezelfde avond wat hem door de schrijver gevraagd werd. Hij nam het verhaal ter hand en vertelde het aan Felix, een van zijn vele kleinkinderen. 
Minder omdat die kleinzoon het een mooi verhaal vond zijn dan wel omdat hij ervan hield door zijn opa in slaap verteld te worden, werd het een gewoonte. Telkens wanneer de kleinzoon bij zijn opa op bezoek kwam, werd het verhaal verteld en dat ging zo door tot de kleinzoon een puistige puber geworden was die ’s avonds in bed wel wat anders te doen had dan naar verhalen van ouwe mensen te luisteren.
Naast Felix waren er gelukkig ook nog Lola en Vic, andere kleinkinderen van Jo, die het verhaal op hun beurt meermaals te horen kregen.  Dat ging zo door tot ook zij de leeftijd bereikt hadden waarop ze alles beter dachten te weten en opa Jo de rug toekeerden als hij weer eens met datzelfde verhaal kwam opdagen. 
Vele jaren later, toen opa Jo al lang dood was en de schrijver nog veel meer, kreeg een van die kleinkinderen een zoontje dat hzij Kleine Joo noemde (niet te verwarren met Little Joe van de familie Cartwright), ter herinnering aan grootvader Jo.  Dat kleinkind dat — zo hebt u wel begrepen — intussen geen klein kind meer was, maar een ouder, vertelde Kleine Joo op een avond, naast het bedje, over grootvader Jo die hzij zich herinnerde als een merkwaardig verteller van helaas steeds hetzelfde verhaal. Daar moest Kleine Joo hard om lachen, waarna het kind welgemutst de nacht kon aanvatten.
Kleine Joo wilde, ouder wordend, uiteraard ook wel eens weten welk verhaal dat was.  Zo komt het dat het oude verhaal ook aan dat kinderbedje weer verteld werd.  Kleine Joo vond dat verhaal wel leuk, en zo kwam het dat het tot de vaste geplogenheden van zijn slaapritueel ging behoren.
Gedurende enige jaren gebeurde er verder niets. Dat wil zeggen, er gebeurde van alles.  Kleine Joo groeide op, voelde de biologische klok tikken en kreeg ettelijke kinderen.  Die kinderen deden vervolgens wat ze niet laten konden en ze begonnen op hun beurt, en niet zonder succes, voor de reproductie van de menselijke soort te ijveren. 
We zijn alweer in een volgende eeuw als een van die kinderen een zoon krijgt die hzij Jooo noemt, zo genoemd naar grootvader Kleine Joo waaraan hzij met veel tederheid terug pleegt te denken. 
’s Avonds, bij het bedje van Jooo, vertelt hzij het kind over de man die lang geleden steeds weer hetzelfde verhaal verteld had, tot vervelens toe. 
In den beginne had Jooo daar genoeg aan.  Hij viel vlug in slaap en droomde van grootvader Kleine Joo die hij nooit gezien had, maar die hij via zijn vertellende ouder toch wel had leren kennen.  Maar na een tijdje… Was het niet steeds maar hetzelfde dat hij te horen kreeg? Een beetje wrevelig vroeg hij zijn ouder uiteindelijk: ‘Maar zeg het me nu eindelijk eens: hoe ging dat verhaal dan dat opa Kleine Joo je verteld heeft?’ 
Zijn ouder ging erbij zitten en vertelde Jooo het verhaal van een schrijver die, lang geleden, in een van de vorige eeuwen, de tomeloze ambitie had zichzelf de eeuwigheid in te schrijven.  Omdat het via de uitgeverijen niet zo goed leek te lukken, had die schrijver een vriend de opdracht te geven het verhaal aan het bedje van zijn kleinkinderen voor te lezen.  De eeuwigheid was ermee nog niet bereikt, maar de derde generatie dan toch wel.  Wat een gevoelige vooruitgang was.  
‘Ja maar,’ zo antwoordde Jooo, ongeduldig geworden omdat hij constateerde dat zijn ouder wéér hetzelfde aan 't vertellen was, ‘hoe gaat dat verhaal dan? Dat wil ik nu eindelijk wel eens weten!’
‘Ah,’ zo antwoordde de ouder vermoeid, ‘Dat wil je niet meer horen, ik heb het je al honderd keer verteld.’
Flor Vandekerckhove
[Dit verhaal werd eerder al gepubliceerd op de inmiddels gecrashte site blogweb. Ik probeer de verloren gegane bijdragen stuk voor stuk te recupereren op deze site.]
Een reactie plaatsen