donderdag 23 februari 2012

De laatste communisten


In 1997 publiceerde Ivan Ollevier een interviewboek met een aantal (ex-)activisten van de KPB, de communistische partij van België. De laatste communisten is een mooie titel voor het boek, maar kloppen doet hij niet. Bij de PVDA (ook een communistische partij) zullen ze daar niet tevreden over geweest zijn. Hoe dan ook, een aantal van de geïnterviewden heb ik zelf min of meer persoonlijk gekend. Eddy Poncelet is mij thuis, in Bredene, nog komen opzoeken.  De toen al 80+er had mijn medewerking nodig bij een of ander evenement. André de Smet heb ik leren kennen als de vader van Chantal waarmee ik in Gent vele jaren samengeleefd heb. Albert De Bruyne, Georges Maes en Nadine Crappé waren beroemde arbeidersactivisten in het linkse wereldje waarvan ik toentertijd, als lid van de SAP (Socialistische Arbeiderspartij, voorheen RAL), eveneens deel uitmaakte.  Nadine Crappé is overigens tot haar zelfgekozen dood een trouwe vriendin van me gebleven. Ik was er indertijd ook getuige van hoe in Gent o.a. Chantal de Smet, Ruddy Doom en wijlen Koen Raes door hun verregaande kritiek met de partijbonzen van de KPB in botsing kwamen en ik herinner me het moment dat ze besloten er een punt achter te zetten, one way or another.  Zij vergaderden die dag in de living terwijl ik in de keuken de boel aan ’t opruimen was.  Toen een van hen een glas water kwam halen, vroeg ik of hij wel besefte dat hij daar aan een historische vergadering deelnam. Achteraf kun je zeggen dat dit een inschattingsfout mijnentwege was, want meer dan een storm in een glas water is er uiteindelijk niet uit voortgesproten.
In het boek beschrijft Chantal de Smet een geestige anekdote waarbij ik betrokken was:
 ‘Chantal de Smet is uit de partij gestapt op ongeveer hetzelfde moment als Koen Raes en Ruddy Doom: “Het was zoals een relatie eindigt: je bent op iemand verliefd geworden om een aantal redenen en precies om die redenen ga je bij hem weg; alles werkt op den duur op je zenuwen, hoe de man eet, hoe hij slaapt en zijn tanden poetst.  De samenhorigheid en het solidariteitsgevoel waren bij mij omgeslagen in een gevoel van interne controle, de indruk dat iedereen iedereen in de gaten hield.  Om maar een voorbeeld te geven: ik heb lang met een man samengeleefd die actief was in de SAP.  Tot grote consternatie van zowel de KP als de SAP gingen wij samen affiches plakken, hij voor zijn partij, ik voor de mijne.  Wat een schandaal was dat in de partij!  Daar vonden ze dat het niet kon. Plotseling dacht ik: wat een verschrikking wordt het als deze mensen ooit aan de macht zouden komen.’ (p 297-298.) Ja, dat gezamenlijke plakwerk herinner ik me nog. Ik herinner me trouwens ook hoe wij daarbij vreemd bekeken werden door plakkers van andere partijen die ons onderweg in de weer zagen met affiches van die twee ‘kleinlinkse’ partijtjes die voor de rest vooral hard hun best deden om elkaar de politieke gracht in te rijden.

Ivan Ollevier, De laatste communisten — hun passies, hun idealen. 1997. Uitg. Van Haelewyck. ISBN 90 5617 126 7. 
Een reactie plaatsen