maandag 27 februari 2012

Straf spul

Na enige tijd verging het de patiënt alweer merkelijk
beter. (Foto H. Serruys)
Hij ligt in het ziekenhuis, in de afdeling waarin ze dingen wegsnijden. Nadat ze hem een hand zijn komen geven, hebben de dokters zijn voorhuid weggesneden.
Het is half een en hij kan niet slapen. Pijnstillers en slangetjes, druppels in een buisje. Terwijl hij daar slapeloos ligt te zijn probeert hij een verhaal te bedenken, maar dat lukt niet zo goed. De ideeën ontsnappen even rap als ze opborrelen. Naast hem ligt een rochelende patiënt bij wie ze een halve meter darm weggesneden hebben. Die mens kijkt daardoor tegen een leven aan waarin hij geen varkenspoten meer mag eten, niet meer mag roken en geen alcohol meer mag drinken. De man is van plan zich daaraan te houden, zegt hij, maar die varkenspoten, dat zal niet gemakkelijk zijn. De man slaapt kreunend en zwetend en zo nu en dan krijgt hij een vieze hoestbui waaruit hij wakker schrikt. Hij denkt dat de man geen zes maanden meer te leven heeft en overweegt daar een verhaal over te schrijven. In de verte ligt nog iemand te kreunen, ook ginder is er iets weggesneden.
Misschien kan ik een verhaal schrijven over mijn moeder, bedenkt hij in een poging om aan de benauwde ziekenhuisgedachten te ontsnappen, over de asverstrooiing die pas drie jaar na haar overlijden kon gebeuren, omdat ze bij leven en welzijn beslist had haar dode lichaam aan de wetenschap te schenken, over die teraardebestelling waarop alleen hij en zijn zoon aanwezig waren, over de broek die zijn zoon daar toen droeg, een ontwerp van Dries Van Noten, een broek die eruit zag als een overall. Maar zijn gedachten waaien weg, zoals ook de as van zijn moeder toen weggewaaid is. 
Of misschien kan ik een stukje maken over de kunst van het briefschrijven, zo overweegt hij nog terwijl hij in de verte iemand rustig maar kordaat hoort roepen: Blijven liggen, rustig blijven liggen; een verhaal over mensen die dat doen, brieven schrijven, over briefschrijvers, een uitstervende soort… Er schijnt een hel licht in zijn ogen… 
Of hij kan een historisch stuk schrijven over de twisten tussen katholieken en hugenoten, over kerken en tempels en over het soort mensen dat in die etablissementen te vinden is, over tempel- en kerkmensen en hoe die van elkaar verschillen en toch weer niet. Hij zou dat kunnen, maar zijn gedachten waaieren weer weg; ze waaien over de daken tot bij de dokters waarbij hij op visite gaat, snotneuzen die zijn kinderen hadden kunnen zijn en die hem aangeraden hebben zijn voorhuid weg te laten halen. En weer gaat het verder. Misschien kan hij een reeks verhalen schrijven over de geschifte vrouwen die in het verleden zijn levenspad gekruist hebben, over de twijfels die daardoor bij hem gerezen zijn betreffende zijn eigen geestelijke gezondheid. Gelukkig waaien ook die gedachten weer weg.
Hij zou iets over paddenstoelen kunnen schrijven… over jeugdvrienden en over hoe het hen uiteindelijk vergaan is… over partners in een huwelijk, over hoe die het al die jaren bij elkaar uithouden… over zijn weggesneden voorhuid… over de patiënt die naast hem ligt te rochelen en over diens merkwaardige voorkeur voor varkenspoten.
Een vakkundig doortastende, driehonderd kilo wegende verpleegster komt het verband rond zijn besneden pik weghalen. Ze zegt dat hij nergens over hoeft in te zitten, dat verpleegkundigen dat gewoon zijn. Ze noemt hem jongen. Hij begrijpt niet goed waarover ze het heeft. Wikkel na wikkel haalt ze het gaas weg tot zijn besneden eikel, rood van het ontsmettingsmiddel, bloot komt te liggen. Ze vindt dat de dokter mooi werk geleverd heeft, zo zonder zwellingen. Ze vraagt of hij zijn voorhuid nooit over de eikel heeft kunnen trekken of dat het van meer recente datum is. Dat hij nergens over hoeft in te zitten, dat ze dat daar gewoon zijn, besneden eikels keuren, dat ze verpleegkundigen zijn en dat het hun werk is. Hij antwoordt niet, kijkt naar zijn eikel en is het met haar eens: de dokter heeft mooi werk geleverd, zo zonder zwellingen. De patiënt die naast hem ligt zegt dat hij dat nooit meer zal doen, varkenspoten eten, dat hij zich eraan zal houden, zelfs als het niet gemakkelijk gaat. De man denkt trouwens dat het alcoholverbod niet levenslang zal gelden, alleen maar tot hij weer de oude is, zij het met een ingekort stuk darm.
Met een ruk gaat de deur open. Vier geüniformeerde mannen stormen de kamer binnen. Ze hebben zwarte laarzen aan en rijbroeken. Ze snauwen Duitse woorden: Schweine Füsse! Geschwollen Eicheln!  Ze duwen de driehonderd kilo wegende verpleegster weg alsof het niets is en rijden hem in looppas, twee vooraan, twee achteraan, met bed en al naar het einde van de gang waar nog dertig andere bedden staan waarop mannen liggen, allemaal besneden mannen, allemaal mooi werk, allemaal zonder zwellingen; geknipte mannen die verwilderd om zich heen kijken terwijl ze door de uniformen toegesnauwd worden: Schweine Füsse! Schweine Füsse!
Zie je wel, zo zegt hij in zichzelf, zie je wel dat het geen goed idee was. Die jonge doktoren weten er niets van, ze kennen hun geschiedenis niet.  Hij probeert recht te staan, uit bed te komen, hij wil ontsnappen, want hij weet maar al te goed waar dit soort razzia’s heen leidt.  Hij hoort de stem van de verpleegster die hem kordaat toeroept: Blijven liggen, rustig blijven liggen, gewoon blijven platliggen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen