woensdag 1 februari 2012

Claude Lanzmann, een intellectueel

Claude Lanzmann met Simone de Beauvoir
en JP Sartre (Parijs 1964)
Claude Lanzmann (°1925) is een mens met vele levens.  Al die levens worden beschreven in ’s mans autobiografie, De Patagonische haas.  Hij is een briljant student geweest, verzetstrijder, deugniet, minnaar en journalist (voor l’Express van de destijds beroemde Jean-Jacques Servan-Schreiber). Hij is filmmaker en regisseerde o.a. Shoah, een film van 9,30 uur waarmee hij beroemd geworden is.  Hij is ook bobo en redacteur van Les Temps modernes, het tijdschrift dat door Sartre opgericht werd. Ook is hij Jood, Fransman, avonturier, auteur en bovenal is hij een geëngageerd zionist: ‘Ik zei dat, na Auschwitz, de vernietiging van Israël ondenkbaar was en dat, mocht het onverhoopt toch zo ver komen, het voor mij onmogelijk zou zijn om nog verder te leven.’
Lange tijd had hij een amoureuze verhouding met Simone de Beauvoir waarmee hij de rest van haar leven bevriend gebleven is.  Hij deelde haar met Jean-Paul Sartre, elk een halve week.  De gebeurtenissen van 1968 brengen evenwel een verwijdering teweeg met Sartre: ‘De “Mao-periode” is nooit de mijne geweest, ik kende zijn nieuwe vrienden niet of had ze maar vluchtig ontmoet, als Sartre en Castor op straat nummers van la Cause du Peuple aan de man brachten, zich in de flitslampen van de fotografen in arrestantenbusjes lieten duwen, kon ik dat nauwelijks aanzien en het effect op zijn kleding van de tabula rasa die Sartre had gemaakt, al helemaal niet — pak en das werden aan de wilgen gehangen en verwisseld voor de onvermijdelijke groezelige trui en het jack waaraan vijftienjarige snotneuzen het recht ontleenden op de meest onbeschofte wijze het woord tot hem te richten.’ Nou nou.
Hij publiceerde zijn memoires die hij niet zelf schreef, maar dicteerde aan de secretaresse van Les Temps modernes, een boek van meer dan 500 bladzijden, waarin uiteraard veel plaats ingeruimd wordt voor de realisatie van Shoah waaraan hij twaalf jaar gewerkt heeft. Een waar meesterwerk is die film die ik destijds gezien heb en die, zo meen ik me te herinneren, integraal door de VPRO uitgezonden werd. Het is een film die maar moeilijk te catalogeren valt. Het is geen documentaire en het is geen fictie.  Een unicum in de filmgeschiedenis, zo wordt de film omschreven. 
Claude Lanzmann reisde ervoor de halve wereld rond en zette have en goed in om de film te een goed einde te brengen. Een gevaarlijk onderneming was het eveneens, zo lees ik.  Om getuigenissen van (ex-)nazi’s in zijn Shoah te krijgen, nam hij een valse naam aan, met een vals paspoort en al, en hij nam die gesprekken clandestien op met een camera die in een boodschappentas verstopt zat. Dat mislukte enkele keren en hij moest ook meer dan eens vluchten, soms met achterlaten van zijn tas. Een enkele keer wordt hij zelfs tot bloedens toe afgerammeld.
Een grote meneer is deze Lanzmann, zoveel is duidelijk.  Wat uiteraard niet belet dat hij merkwaardige kantjes heeft.  Als armlastige student betaalt hij een tijd lang zijn studies door zich als pastoor te verkleden en geld te schooien bij Franse bourgeois: ’t is voor een goed doel madam.  Merkwaardige minnaar ook die er hoe langer hoe minder doekjes om windt: ‘(…) in werkelijkheid haat ik uit de grond van mijn hart de verplichte figuren van de hofmakerij, de verloren tijd, conventionele praatjes, wind.  Hoe ouder ik ben geworden, hoe minder ik me daartoe heb geleend en tegenwoordig ga ik recht af op mijn doel, zu den Sachen selbst, zoals Husserl het zou zeggen, en dat lukt me trouwens aardig.’  Husserl zou content geweest zijn met deze toepassing van zijn filosofie.  Vooral dan toepast in de anekdote waarbij Lanzmann halsoverkop verliefd geraakt op een Noord-Koreaanse verpleegster en waarbij hij, vooraleer hij recht op zijn doel af kan gaan, eerst nog de veiligheidsdiensten van de Democratische Volksrepubliek Korea om de tuin moet leiden.  (Later krijgt hij van die verpleegster nog een mooie brief toegestuurd, in Koreaanse ideogrammen!)  Een Einzelgänger ook, die Lanzmann: ‘Ikzelf had mijn innerlijke vrijheid nodig, en dat woog voor mij zwaarder dan al het andere.’  Zelf mag ik dan geen Patagonische haas zijn, zoals Lanzmann zichzelf noemt, maar dat citaat mag ik me wel toe-eigenen.
Flor Vandekerckhove
Claude Lanzmann, De Patagonische haas, Memoires. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2011. ISBN 978 90 295 7525 6 / NUR 681.


Een reactie plaatsen