zondag 12 februari 2012

Wat DE FUK is een schilderij?

[EssayDe schilderkunst van Luc Martinsen uitgelegd aan zeelui (*)]
Storm! Gij zeeman, gij die uw leven op zee doorbrengt, u moeten we niet uitleggen wat storm is. En onwetende landrotten kunnen terecht bij een zeeman die het goed weet te verwoorden, zoals kapitein Marten Toonder Sr. er een was: ‘Ik zag hoe de masten en de schoorstenen zich bogen, zodat de stagen van staaldraad zich aan de loefzijde spanden als vioolsnaren en aan de lijzijde slap kwamen te hangen. Ik zag hoe de dekkleden van de reddingboten in flarden de lucht in vlogen, en hoe het zeildoek, dat al jaren om de brugreling gespannen zat en daar sterk en onverwoestbaar weer en wind had doorstaan, in gescheurde lappen weggerukt werd en in de duisternis van de orkaanketel verdween, terwijl het stalen geraamte van de reling gebogen en verwrongen achterbleef. En uit de muil van de orkaan stortte regen neer, die niet op regen leek, maar op een massieve, neergolvende watermassa; zo dicht, dat het mij mogelijk leek dat het schip er door de schoorsteen heen mee opgevuld zou worden; zo massief, dat de spuigaten de vloed niet konden verzwelgen (…).’ (1)
Over die storm zei deze kapitein ook: ‘Het zijn ervaringen als deze die de zeeman voor altijd van de walmens zullen doen verschillen.’
Wie dat graag wilde geloven was Wiliam Turner. Hij mocht dan een walmens zijn, hij had zijn ‘huiswerk’ goed gemaakt. Meer dan wie ook is Turner erin geslaagd om stormen op doek te zetten. Ter voorbereiding had hij zee gekozen en terwijl de wind vervaarlijk aanwakkerde had hij zich laten vastbinden aan de mast, alwaar hij vervolgens oog in oog met de storm kwam te staan. Die ervaring wordt dan weer goed verwoord door de Vlaamse schrijver Bart Plouvier die Turner laat zeggen: ‘Ik word zelf deel van de beroering; ik stijg en daal, slinger en rol op het ritme van de zee; ik word onder bogen van buiswater doorgeduwd, opgenomen in spiralen van sneeuw, omhelsd door wervelingen van schuim. Het werk dat groeit in mijn hoofd, vorm aanneemt, moet deze ervaring weergeven: geen haarfijn geschilderde, in verf versteende golven; geen sneeuwvlokken die de toeschouwer desgewenst kan tellen; geen scherpe scheepscontour, geen boeg en geen achtersteven, geen campagne; geen duidelijk herkenbare rookwolk: enkel kleur en ritme, vloeiende lijnen, zoals wind die uit water en schuim kan blazen (…) De galerijbezoeker zal zeeziek worden, zijn braaksel zal waardering uitdrukken. Verkleumd zal hij de kraag van zijn jas opslaan, naar adem happen, deel van de storm worden (…).’ (2)
Geen klein bier dus, maar wat heeft dat alles met de schilderijen van Luc Martinsen te maken? Wel, er zijn meer soorten stormen. Er bestaat ook zoiets als een innerlijke storm, een storm in het hoofd, in de mens zelve. En zoals we u, zeeman, niet moeten uitleggen wat zo’n storm op zee is, zo moeten we kunstenaars niet uitleggen wat zo’n innerlijke storm is. Dichter Rainer Maria Rilke zegt daarover: ‘Ongetwijfeld is kunst altijd het resultaat van in gevaar verkeerd te hebben, van een ervaring helemaal tot het uiterste doorleefd te hebben, tot waar geen mens verder kan gaan.’
Dat geldt zeer zeker voor de Oostendse schilder Luc Martinsen. 
Wat eerst op het doek stond, wordt al vlug — Martinsen wacht niet tot de verf droog is — overspoeld en ook dat wordt al vlug weer wegge(d)rukt door de hem kenmerkende vlammende, veelal primaire kleuren: rood, blauw, geel. Veel opspattend wit ook. Elk doek toont ons een wereld van geweld, waarin weer ander geweld verzopen werd. Martinsen schildert, zoals kunstcriticus Léo Madelein het al zei, ‘erop en erover’.
Al schilderend doet deze mens niets anders dan wat William Turner hem voorgedaan heeft. Martinsen bindt zich vast aan de mast van het leven en wordt deel van de storm in zijn hoofd. Hij stijgt en daalt, slingert en rolt, wordt door die storm opgenomen en erdoor omhelsd. Om de gedachte van kapitein Toonder weer op te nemen: Het zijn ervaringen als deze die de kunstenaar voor altijd van de burger zullen doen verschillen.
Waarna de kunstenaar gehavend achterblijft, want je doet dat niet ongestraft, je zo vastbinden aan die mast. ‘Elke borsteltrek is een litteken’ zei kunstcriticus Xavier Tricot over het werk van Martinsen. Inderdaad, elk doek schreeuwt het uit: wat u hier ziet werd in pijn geboren!
Is dat niet al te ver gezocht, deze vergelijking tussen de stormen die zeelui meemaken en de stormen in het leven van deze kunstenaar. Wat heeft het werk van deze kunstenaar met de zee te maken?
Het thema van Martinsen is de vrouw. Daarin verschilt hij niet van die andere Oostendenaar Arno. Maar waar Arno (zoals in Brusseld) mooie, vaak poëtische teksten over het thema produceert, is er niet liefelijks te zien aan de manier waarop Martinsen hetzelfde thema benadert. Arno is dan ook een halve Brusselaar geworden, terwijl Martinsen het nog altijd aan de kust uitzingt.
Wie denkt dat Arno ruig is moet eens kijken naar de schilderijen van Martinsen. Dat is pas rock ‘n’ roll! Hier wordt afgebroken en opgebouwd, afgestoten en aangetrokken, misvormd en gevormd, overgeschilderd en naar voor gebracht. En als er dan eens stilte te zien is dan is het stilte voor de storm. Wat we te zien krijgen is ebbe en vloed, windkracht 10 en opspattend schuim. Dit zijn draaikolken, vervaarlijke stromingen, springtij, ontij.
Bij Martinsen is alle onschuld zoek. De vrouwen die we op de schilderijen te zien krijgen zijn niet de mamzellen van Arno, maar oervrouwen van het soort waaruit op gewelddadige manier alle leven ontspruit. Ze zijn uit storm geboren en baren op hun beurt weer storm. Het zijn oervrouwen net zoals de zee de oervrouw is. Want het is met de schilderijen van Martinsen zoals het met de zee is, waarvan Karel Jonckheere zei: ‘Zee is een wijf met een schoot als de hel… / door elk schip te berijden / tot de zeven glazen der laatste bel / van alle zeer bevrijden.’ (3) De schilder Luc Martinsen mag dan tot de wal behoren, de schilderijen die hij ons toont behoren tot de zee.
Flor Vandekerckhove

(*) Dit essay verscheen eerder in Het Vrije Visserijblad: www.visserijblad.be.
(1) Kapitein Marten Toonder Sr. (1879-1962) beschreef deze storm toen hij 73 was. De kapitein, die nochtans een en ander meegemaakt had (scheepsbrand, aanvaringen, stranding, ontploffingen…), zegde dat al dat geweld minder indruk op hem gemaakt had dan deze storm. Het verslag werd opgenomen in de bundel ‘Bij tij en ontij, 400 jaar zeeverhalen in de Nederlandse letteren’, 2000, uitgeverij Contact. ISBN 90 254 9795 0.
(2) Bart Plouvier (1951) in ‘De kleuren van de zee’, (1993) Opgenomen in de bundel ‘Bij tij en ontij, 400 jaar zeeverhalen in de Nederlandse letteren’, 2000, uitgeverij Contact. ISBN 90 254 9795 0.
Vermelden we nog dat deze Vlaamse schrijver (die ooit zeeman was) in opdracht van de overheidsrederij VLOOT in 2009 ‘Berichten van op het water’ schreef waarin hij het veelzijdige reilen en zeilen van deze rederij met liefde beschrijft. Wie interesse in dit werkje heeft kan ervoor terecht bij Vloot, Sir W. Churchillkaai 2 te 8400 Oostende. Mailen kan naar vloot@vlaanderen.be.
(3) Karel Jonckheere in Bounded Stores, een gedicht uit ‘De hondenwacht’ (1951).

Een reactie plaatsen