donderdag 26 februari 2015

De wereld volgens Hoss (2)

— Zo ziet Hoss eruit zonder zijn
cowboyhoed. —
Eerder heb ik u al verteld hoe ik Hoss heb leren kennen, een Amerikaanse cowboy op rust, waarmee ik, zo leert hem zijn stamboom, enigszins verwant ben. Hoss is oud en verlaat nog maar zelden zijn huis. Des te actiever is hij op ’t internet. Gisteren had ik hem weer aan de lijn (gesteld dat je dat woord mag gebruiken als je elkaar via Skype telefoneert.)
Waarmee ik mijn dag gevuld had, zo wilde hij weten. Ik had net een stuk in de blog gepost dat De literaire spiegel van Lenin heet, ik had er nogal op gezwoegd & gezweet omdat het over de weerspiegelingtheorie ging, een moeilijke literaire kwestie als je ’t mij vraag, en ik zei hem dat ook. Ik dacht niet dat het hem zou interesseren, maar ik vergiste me deerlijk.
‘De idee dat een verhaal de werkelijkheid weerspiegelt moet je vergeten’, zei hij, terwijl hij tegelijk zijn neus snoot in zo’n grote, rode zakdoek met witte bolletjes. Die zakdoek had me afgeleid en daardoor had ik zijn woorden niet meteen begrepen. Terwijl ik probeerde te achterhalen wat hij exact gezegd had, ging hij alweer verder. ‘Een verhaal schrijven is iets produceren en iets produceren houdt in dat je een materiaal bewerkt. Je verhaal kan dus nooit een spiegel zijn van dat materiaal, want je hebt het bewerkt, je hebt het met taal vervormd, er met die taal iets anders van gemaakt. ’t Is zoals een smid die van een stuk ijzer een hoef maakt, je zegt daarna toch ook niet dat die hoef een spiegel van dat ijzer is.’ Breek nou mijn klomp, wilde ik antwoorden, maar om die zin vertaald te krijgen, ken ik te weinig Amerikaans. Dus zegde ik iets anders, ik zei: ‘Maar Hoss toch, hoe komt het dat je zoiets weet? Ik zit uren op dat spiegelprobleem te zwoegen en jij schudt daar al snuitend het antwoord uit je zakdoek.’ Waarop hij me uitlegde dat het werk in de prairies jaarlijks maar acht maanden in beslag nam en dat de cowboys de overige vier maanden werkloos waren. Zelf had hij die vrije tijd gebruikt om boeken te lezen. En weer wilde ik zeggen: breek nou mijn klomp. ‘Kijk jongen,’ zei Hoss, die me altijd jongen noemt, ‘wat je in de literaire theorie eerst en vooral moet uitvogelen is dit: wat is de grondstof waarop een schrijver arbeid verricht? Is dat de werkelijkheid? Damned neen. De arbeid van zo’n schrijver vertrekt niet van de wereld-zoals-ze-is, maar van de wereld zoals die mens zich die in zijn hoofd voorstelt. En da’s niet hetzelfde. Bijlange niet! Zo’n voorstelling is altijd een zootje ongeregeld, zelfs al denkt die schrijver daar anders over, zelfs als zingt Raymond van het Groenewoud dat in zijn hoofd alles zeer eenvoudig is. Maar wat Raymond daar ook over mag zingen, met dat zootje vangt de schrijver zijn werk aan, daarmee gaat hij aan de slag. Al schrijvend, met taal dus, confronteert hij het zootje met een fictief, maar concreet verhaal. Hij zet dat zootje dus om in concrete scènes en hij doet dat met zijn gereedschap, de taal.’ U begrijpt, lezer, dat ik sprakeloos was. Hoss maakte het allemaal verstaanbaar door het woord ideologie te vervangen door zootje, wat een ideologie uiteraard ook is; dat van die hoefsmid was ook goed gevonden, echt uit 't leven gegrepen, uit 't leven van het paardenvolk in de prairies. En hoe kende hij eigenlijk het oeuvre van Raymond van het Groenewoud? Omdat ik te perplex was om te antwoorden, was het mijn beurt om mijn neus te snuiten, maar dan in een stuk papier van de keukenrol. ‘Dat maakt een fictief verhaal juist zo interessant’, zei Hoss hoestend, ‘het resultaat klopt nooit volledig met de abstracte voorstelling die schrijvers van de werkelijkheid maken. Soms zijn het juist de onvolmaaktheden in het verhaal die…’  En toen viel de verbinding uit. Damned & Hell!
Flor Vandekerkhove
(Vervolgt wellicht)


Een reactie plaatsen