zondag 15 februari 2015

Film noir: vrouwen, sigaretten en een oud kantoor

— Al mijn fouten, tekortkomingen, misdaden, zonden, verslavingen en andere ongemakken wortelen in de film noir. —

Nooit eerder ben ik in deze blog zo persoonlijk geweest. Heden breng ik u onverbloemd op de hoogte van mijn karaktergebreken, verachtelijke opvattingen & andere tekortkomingen, alsmede van de bronnen waaraan ik me gelaafd heb om mijn verwerpelijke levenswandel te voeden. U begrijpt dat ik het zo kort mogelijk wil houden.
Pulp is waar mijn voorliefde voor
lingerie vandaan komt.
Eén: elkeen die mijn persoonlijke geschiedenis een beetje kent, weet dat het instituut huwelijk me, nevenvormen inbegrepen, veertig jaar miserie opgeleverd heeft, om nog te zwijgen over de herinneringen waarmee mijn exen achterblijven. 
Twee: over de vrouwenbeweging zult u me geen kwaad woord horen vertellen, maar toen Dolle Mina in 1969 op straat een stuk lingerie verbrandde, vond ik dat een verwerpelijke actie. Ik heb daar toentertijd niets over gezegd — de tijdgeest zou het me ook niet toegelaten hebben — maar in stilte heb ik er wel vele jaren onder geleden. 
Drie: toen ik achttien werd, vond ik dat een sigaret perfect bij mijn imago paste en toen ik dat enkele jaren later alweer niet meer vond, bleef ik toch roken, wat maakt dat ik al in de zestig was toen ik er eindelijk mee kon kappen; dik veertig jaar acetonitriel, ammoniak, nicotine, benzeen, fenol, teer, methanol en andere brol in mijn longen! 
Vier: succes, daar loop ik in een grote boog omheen. Als ik me inzet dan is ‘t voor uitzichtloze zaken, ik sluit me bij voorkeur aan bij kansloze bewegingen, mijn kantoor heeft altijd in kansarme buurten gelegen, de tijdschriften die ik uitgegeven heb mag je commercieel waardeloos noemen, mijn verhalen worden zelden gelezen. Ik vond, vreemd genoeg, dat het zo hoorde en eigenlijk vind ik dat nog altijd.
De manier waarop ik me in de wereld bewogen heb wortelt in covers van pulpboekjes, filmaffiches aan het raam van Alida’s café en beelden uit B-films, zoals die op vervelende zondagmiddagen, in ’t Frans gedubd, via de zender Rijsel, tot mij gekomen zijn. Waar anderen zich hebben laten inspireren door heiligenlevens, blitse sporthelden of flamboyante politieke voormannen, is mijn leven gemodelleerd op maat van veelal ongure en altijd afwijkende personages uit de noir. Laat me toe dat aan te tonen door bovenstaande tekortkomingen in omgekeerde volgorde weer op te roepen, van vier naar één.
Vier. Mijn kantoor in het Oostendse havengebied — leeg, armoedig, uitgeleefd ­— verschilde nauwelijks van dat van privédetective Philip Marlowe in The Big Sleep. Daar zat ik dan, net als die Marlowe, te niksen, benen gestrekt, voeten op een bruin gevernist bureau, wachtend op de dingen die zouden komen. Ik heb altijd gedacht dat het zo hoorde en luisterde nauwelijks naar raadgevers die me tot grotere activiteit probeerden te bewegen. 
Drie. Nu ik in de aanloop naar dit stukje een heleboel van die films (her)bekeken heb, valt het mij op: iedereen rookt zich te pletter. In Out of the Past (1947) komt Robert Mitchum een plek binnen, hij ziet daar Kirk Douglas staan die hem meteen vraagt: ‘Cigarette?’ Mitchum houdt zijn hand omhoog, toont zijn sigaret en zegt: ‘Smoking’. Uiteraard. Bij het mensbeeld dat ik in mijn kindertijd opgebouwd heb hoort, kanker of geen kanker, een sigaret. 
Twee: de biotoop van de vrouw is in die wereld heel anders. Zij houdt zich niet op in een schamel kantoortje, zoals de good guy dat doet, maar in het boudoir, alwaar rokende armoelijders, zoals Humprey Bogart en ik, hen in vernuftige lingerie te zien krijgen. Dat de personages van Nightmare Alley (1946), een noir van William Lindsay Gresham, tot het
Bij het mensbeeld uit mijn kindertijd hoort een sigaret.
subproletariaat behoren, belet niet dat de cover van die pulproman me vandaag nog altijd laat watertanden. 

Eén: het huwelijk. De vrouwen in de noir laten me steevast achter met beelden van mascara, lippenstift, lange benen, roodgelakte nagels, pumps, lange handschoenen… Zelfs wanneer ze onder de kogels neerzijgen geraakt hun haar niet in de war — 't is wellicht, o contradictie!, tijdens zo'n neerzijgen dat het woord levenskunst uitgevonden is. In Out of the Past is geen van die vrouwen getrouwd, in The Maltese Falcon (1941) gaan de mannen ongehuwd door ’t leven of ze zijn slecht getrouwd. Van de femme fatale die steevast in dat soort films te zien is, vergeet ik altijd hoe slecht het uiteindelijk met haar afloopt, maar ik onthoud wel haar seksuele aantrekkingskracht. De enige getrouwde vrouw in Double Indemnity (1945) zit in dat huwelijk opgesloten en ze zal haar man doden omdat hij geen affectie meer voor haar toont: ‘I feel as if he was watching me. Not that he cares, not anymore. But he keeps me on a leash so tight I can't breathe.’ Neen, dan kiest een mens toch voor de fantasie die je rond zo’n single femme fatale kunt weven. Niemand verwoordt dat trouwens beter dan femme fatale Kathie Moffatt wanneer ze in Out of the Past tot Jeff Bailley zegt: ‘I never told you I was anything but what I am — you just wanted to imagine I was.’ En als er iets is waaraan ik nimmer een tekort gehad heb dan is het wel dit: imaginatie.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen