dinsdag 3 februari 2015

Met vis leuren

De eerste vrachtwagen van de visleurhandel Pieters-Quagebeur. Voor de auto staat Hélène Maenhout, echtgenote van Richard Quaegebeur.
De jaren vijftig waren voor de visserij gouden tijden. De aanvoer was massaal en de visconsumptie drong door tot in de kleinste dorpen. Daarin speelden de visleurders een grote rol, want er werd toen veel op straat verhandeld. Visleurders, verkopers van vliegende blaadjes, foorkramers, rondtrekkende fotografen, soepboeren, Jehova’s getuigen, verkopers van encyclopedieën, scharenslijpers, ijsjesverkoopsters en voddenrapers kruisten elkaar meer dan eens. Aan de kust schaften vissers en vislossers zich een camionette aan en trokken er vol vis mee het binnenland in. Eerst waren dat er een vijftiental, maar het verschijnsel nam snel toe. Het aantal wagens dat op die manier de vis gedistribueerd heeft wordt door kenners op 300 geschat.
Er werden gouden zaken gedaan, maar de leurders kregen dat goud niet voor niets. Richard Quaegebeur was bij de eersten: ‘Het is niet zo dat we een gat in de markt vulden. De plaatselijke leurders die met groenten & fruit rondtrokken verkochten ook vis. Zij waren onze concurrenten. Maar de Oostendse visventers richtten zich op kwaliteit. Ons product was verser dan dat van de concurrentie, de waar werd goed 'afgeijsd' en zo kweekten we een trouw cliënteel.’
Het werk begon op maandagmorgen wanneer de vis in de mijn gekocht werd. Die dag werd de waar ook gekuist, gefileerd en afgeijsd in de wagen geladen. De leurders trokken op dinsdagmorgen, vier, vijf uur, ’t land in en ze kwamen niet terug voor het vrijdag geworden was. Quaegebeur deed het enigszins anders: ‘Op maandag en dinsdag bewerkten we onze vis. We vertrokken op woensdagnacht rond twee uur naar Limburg voor drie dagen. Van woensdag tot vrijdag leurden we daar van deur tot deur en in de vastentijd kwam daar ook nog de dinsdag bij. ’s Avonds kwamen wij rond tien uur toe op ons logement om de ‘s morgens om vijf uur alweer op te staan.’
In die tijd bestonden er nog afstanden. De autosnelweg begon pas in Jabbeke en stopte al in Aalst. De rest moest via erbarmelijke wegen afgelegd worden, soms in de sneeuw, soms terwijl het aan ’t ijzelen was, veelal in de mist. Vlugger dan 60 km per uur ging het nooit. De camionetten hadden geen verwarming, zodat men zich met dekens warm moest zien te houden. Raamontdooiing was er uiteraard evenmin en bij vriesweer smeerde men de ruiten in met pekel.
Leuren is iets anders dan markten. Zo’n visventer kwam toe in een of ander dorp, bijvoorbeeld in Wallonië, en begon daar om zeven uur aan zijn ronde. Met bel of claxon werd er kabaal gemaakt. De leurdersvrouw liep de straat af, belde aan elke deur en zegde in haar beste Frans iets als: ‘C’est le poisson’. Een sterk verkoopargument was ook: ‘On vient d’Ostende’. Dat ging door tot acht uur ’s avonds, soms in verschrikkelijk slecht weer, straat na straat, almaar in en uit de wagen. Een boterham uit ’t handje etend om geen tijd te verliezen.
’s Avonds werd er een logement gezocht. Die waren van allerlei aard, maar zelden comfortabel. Soms kroop zo’n koppel onderkoeld in bed, met kleren aan, maar slapen deden ze, uitgeput als ze waren, onmiddellijk. En zo ging dat door tot vrijdagmiddag. Als ’t weer meezat, kwamen de leurders die dag rond vijf uur thuis. In ’t weekend werd de wagen gekuist en op maandag waren ze alweer aan de slag.
Flor Vandekerckhove
Verkoop van de vangst in de vismijn

Een reactie posten