maandag 1 februari 2016

Het been

In de tuin van een huis waarin ik vroeger woonde, had ik zo’n voederplankje getimmerd. Vanuit het raam had ik er een mooi uitzicht op. Dagelijks schraapte ik er de rest van mijn bord op uit. Vervolgens keek ik toe hoe de vogelen des velds er zich te goed aan deden.
Het was een aangename bezigheid en ook leerrijk. Ik leerde de vogelsoorten beter kennen en de hiërarchie onder die soorten. Ik weet niet goed meer hoe die er juist uitzag, maar ik denk dat de bosduif eerst aan de bak kwam. Nu ik erover nadenk valt het me te binnen dat zo’n duif het plankje dikwijls al bezet hield voor het voedsel er op kwam te liggen. Na hem kwamen de Turkse tortels, vervolgens de kraaien, dan de eksters en daarna de kauwen. Het ging van groot naar klein. Na de kraaiachtigen kwamen de merels het resterende voer bekijken en uiteindelijk was het de beurt aan het kleine grut, de mussen die in de haag zaten te wachten, de vinken, de mezen… Ik herinner me dat het roodborstje zijn medevogels bijzonder agressief bejegende en dat ik eens aangenaam verrast werd door een winterkoninkje dat vlak naast die voederplank een nest kwam maken dat helaas ongebruikt bleef.
Omdat het huis vlak naast de kerk lag, waren het vooral kauwen die erop afkwamen. Zij woonden in de toren en keken net als ik uit op de voederplank. Van zodra ze daar de kans toe zagen kwamen ze er in groten getale op af. Ook daar was er een hiërarchie, die evenwel, zo zag ik, fel bevochten moest worden. Nerveuze beesten zijn dat, die kauwen. De sterkste staken wild fladderend zoveel mogelijk voedsel in hun bek en vlogen ermee weg om het hoog in de kerktoren ongestoord te verorberen.
De voederplank was niet alleen leerzaam en mooi, ik spaarde er ook een vuilniszak mee uit. Al de etensresten die niet in de compostbak terechtkwamen, legde ik op de plank. ’s Avonds was alles weg. Dat was ook het geval wanneer ik een kippenbout gegeten had en het been op de voedertafel achterliet.
Da’s niet klein, zo’n been, en ik keek met respect naar de kauwen die luidruchtig rond de kerktoren fladderden. In mijn verbeelding zag ik rond hun nesten hele stapels door hen afgepeuzelde beenderen liggen, afkomstig van kippen die ik bij slager Renmans gekocht had.
Dat was een illusie. Ik geraakte die kwijt toen ik de meeuw zag die zich op de plank kwam neerzetten. Die had ik niet zien aankomen. De meeuw slokte in een beweging heel dat been op. Zo’n groot been! Hop, binnen. Ik zag het door zijn keel passeren en weg was hij. Wat me liet begrijpen dat je een beetje moet oppassen met wat je op zo’n voederplank legt. Die beesten vreten gewoon alles op, ook wat niet goed voor hen is. In die zin gelijken ze toch wel goed op mensen. 
Wat me vervolgens aan de tijd deed denken waarin gezondheid nog geen rol in mijn consumptiekeuzes speelde. In die tijd woonde ik recht tegenover een operazangeres. Met die voederplank had zij natuurlijk niets te maken, da's een ander verhaal.
Flor Vandekerckhove

Een reactie posten