maandag 15 februari 2016

Smokkelscheepje strandt te Bredene

— Een grenspost tussen Nederland en België —
In mijn halfslaap had ik de brulboei gehoord, een bekend geluid voor wie in die tijd aan zee woonde. De toon van dat mistsein was naargeestig, maar ook geruststellend, want hij suggereerde dat er over de dingen gewaakt werd. Ik keerde me op mijn andere zij en sliep weer in. Wat ik niet kon weten is dit: op dat moment was iemand tegen de branding aan ’t vechten, op loopafstand van ons huis; een gevecht op leven en dood.
De gebeurtenis groeide uit tot het gesprek van de daaropvolgende dag. Een jacht had een golfbreker geramd. De opvarende(n) had(den) zich al zwemmend kunnen redden, maar het accident had wel een groot gat in de romp geslagen. Wat in het ruim zat was in zee terechtgekomen en de vloed had het op het strand geworpen. Smokkelwaar!
Over het Bredense strand lagen die morgen honderden pakjes Hollandse boter verspreid. Het schip was daarmee zijn lading kwijt, maar voor de meeuwen was het smullen geblazen en voor de strandjutters braken drukke tijden aan. Op straat smeerde die boter menig gesprek, de pers bakte er mooie reportages van en op school werd de smokkelboter in een opstel verwerkt. Ik herinner me dat mijn klasgenoot John Brouwers als titel Boter aan de galg suggereerde, titel die ook al in een krant gebruikt was.
Tot zover mijn herinneringen.
Om er meer over te weten heb ik u nodig, want ja, dit is een oproep. Zelf probeer ik nu al enige weken 1 & ander over dat voorval weer te vinden. Ik heb informanten geraadpleegd en krantenarchieven doorploegd. Het heeft niets noemenswaardigs mogen opleveren. Wanneer is dat boterincident gebeurd? Ik zat in de lagere school, het moet in 1961 geweest zijn of eerder. In 1963 begon Europa trouwens een gemeenschappelijk landbouwbeleid te ontwikkelen. Kort door de bocht gierend kunnen we dat als volgt samenvatten: België  slechtte de importmuren en aan het smokkelen van boter viel geen frank meer te verdienen, laat staan een gulden. (*) 
Vóór 1963 was dat wel anders. In 1955 kostte een kilo boter in Holland drie gulden (bijna 55 BEF, 1,790 €). Een paar honderd meter verder, in België, was dat het dubbele. Je kon daar goed aan verdienen. Smokkelen was in het volksoog ook geen misdaad, maar de bezigheid van ondernemende avonturiers.
— Koeriers trekken met boter de grens over —
Eerst trokken koeriers via bospaadjes te voet de grens over, later reden ze met autootjes over sluikwegen naar België, nog later bouwden ze zware Amerikaanse sleeën om, waarin ze wel 1500 kilo boter konden stouwen. In 1951 schatte een krant dat er maandelijks een miljoen kilo boter illegaal de grens overging. Dat is een merkwaardig cijfer, want het betekent dat een derde, van wat in België aan boter gegeten werd, smokkelwaar was.
Op het internet vind ik ter zake een zin waaraan mijn oog blijft hangen: Uit een rapport blijkt dat door de gecombineerde inspanningen van de Belgische en Nederlandse douane in vier jaar tijd ruim 1000 auto’s en een schip werden aangehouden waarbij 839.200 kilo boter in beslag werd genomen.’ Dat schip, zou dat het bootje zijn dat in Bredene op het strandhoofd terechtkwam? Misschien weet u er meer over. Het zou me plezieren mocht u me dat dan ook laten weten.
Ik heb nog een toetje. Dirk Reunbroeck schrijft me dat je de brulboei hier vandaag niet meer zult horen. Het lichtschip Westhinder, waarop zo’n ding stond, is niet meer actief. De brulboei van ’t Oostendse staketsel is daar weggehaald. Er stond er ook een op de lichtboei die de schepen op het bestaan van de Akkaertbank wees. Die boei ligt daar nog altijd, zegt Dirk, maar hij doet vandaag zijn werk alleenlijk nog in stilte.
En nochtans: ‘k hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij,
 voor mij!
Flor Vandekerckhove

Reacties — (*) Dat is uiteraard niet plotsklaps gebeurd. Wilfried Deconijnck zet wat dat betreft de puntjes op de i. Hij schrijft me: ‘Je zegt dat boter smokkelen na 1963 niks meer opleverde. Toch ging het nog een tijdje door. In 1964 verhuisden wij van Bredene naar de Voerstreek, op ca 10 km van de Nederlandse en de Duitse grens. Ik herinner me dat de douane in 1966 de auto van mijn vader binnenstebuiten keerde op zoek naar boter. In 1965 reed de wagen van een botersmokkelaar door een wegversperring en belandde in een weide. Zelfs in de vroege jaren zeventig was het overbrengen van boter uit Nederland nog beperkt. Ook margarine mocht je trouwens maar met mate over de grens brengen.'
Caroline Slabbinck herinnert zich het voorval met het smokkelscheepje. Zij schrijft: ‘Ik weet nog dat mijn vader die schipbreukelingen heeft helpen “redden”. Het was een erg mistige avond. Hij zat thuis in zijn bureau te werken en hoorde hulpgeroep. Ik meen me te herinneren dat hij met een buurman naar het strand getrokken is en daar die gestrande boot gezien heeft met, denk ik, meerdere opvarenden. Wij, de kinderen, waren al naar bed, het jaartal, 1961, zou dus best kunnen kloppen. Het is pas achteraf, toen de boter op het strand lag, dat hij wist dat hij smokkelaars geholpen had.’
Ook William Schreus herinnert zich die avond. Hij had, samen met zijn vader en een logé, deelgenomen aan een avondje toptafel in café Monaco (thans 't Zeetje). Op de terugweg naar huis belette een dikke mistlaag het zicht. Ze hoorden hulpgeroep. William werd naar huis gestuurd en zijn vader ging op het strand kijken of hij kon helpen. Tegen die tijd was de politie al ter plaatse, aangevoerd door commissaris Verhelst a.k.a. 't ventje. De drenkeling(en) vond(en) trouwens onderdak in café Monaco. Waardoor Lucien Dewaele, de uitbater van de Monaco, een van de eerste Bredenaars was die wist dat het een smokkelscheepje betrof. Wellicht was hij ook de eerste die op zoek ging naar de boter.



Een reactie posten