donderdag 11 februari 2016

Strooibus

— Strooibus —
Veel ervan ben ik vergeten. Zat haar as in een urne? Was de corbillard ons, op het pad naar de strooiweide, voorafgegaan? Rookte ik in die tijd nog? Hoeveel tijd was er vergaan tussen de dag van haar overlijden en de crematie? Ik probeer het te reconstrueren. Geheugen, spreek!
Mijn moeder had bij leven en welzijn vastgelegd dat haar stoffelijke resten de wetenschap zouden toekomen. De lijkbezorger had erop aangedrongen de zakelijke kant meteen te regelen, omdat er, zo had hij me uitgelegd, veel tijd ligt tussen de dag van overlijden en de uiteindelijke begrafenis, zoveel zelfs dat nabestaanden tegen die tijd niet langer in dat gebeuren geïnteresseerd zijn. Waardoor de betaling nogal eens stroef verloopt.
Veel tijd betekende in moeders geval, denk ik, meer dan twee jaar. En het klopt wel wat hij me er nog over gezegd had, want mijn dochter had op de dag van de verstrooiing iets anders te doen. Zo komt het dat alleen mijn zoon en ik present tekenden toen de as van mijn moeder, zijn grootmoeder, aan de aarde toevertrouwd werd.
Het moet een merkwaardig beeld geweest zijn, wij getweeën achter de corbillard, traag schrijdend, op weg naar de strooiweide; ook omdat mijn zoon een broek van Dries Van Noten droeg, in een blauw dat voor overalls gebruikt wordt. Die broek had ook een opvallende witte verfplek. Tot vandaag vraag ik me af of die daar door de couturier aangebracht werd of dat het een gevolg was van een accidentje.
Inmiddels heb ik het op ’t net opgezocht. Het was geen urne maar een strooibus. De as zat in een speciaal daarvoor ontworpen strooibus en die werd aan de strooiweide op een herdenkingszuil geplaatst. Daar stonden wij een wijle naar te kijken, mijn zoon, ik en die mens van de begrafenissen. Net voor dat gênant begon te worden, vroeg hij me of ik nog iets te zeggen had. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik, ‘een speech?’ Hij boog het hoofd, zoals alleen begrafenisondernemers dat kunnen en antwoordde: ‘Om het even wat.’
Uiteraard had ik nog iets te zeggen. Ik wilde mijn zoon bijvoorbeeld zeggen dat hij in ’t vervolg een andere broek moest aantrekken. Maar dat zei ik natuurlijk niet, want als er iets is wat geen vervolg heeft, dan is ’t wel een asverstrooiing.
Toen de as over het weide verspreid werd maakte de strooibus een kort geluid dat in mijn herinnering het midden houdt tussen een blender en de lader die in een geweer geschoven wordt. In de verte ruisten de populieren zoals ze dat daar altijd doen.
De lijkbezorger overhandigde me een doosje waarin een blokje as zat. Ik vond het een macaber toemaatje, maar zei toch bedankt voor de attentie. Op de parking zette ik het doosje op het dashboard van mijn auto en reed naar huis. Er was geen koffietafel, maar er was wel koffie. We zaten in de zetel, mijn zoon en ik, en terwijl de avond over 't land viel, draaiden we een joint.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen