zaterdag 6 februari 2016

Waarom ik al de rest laat liggen

Terwijl ik buiten op de koer de was aan de draad hang, prakkiseer ik een beetje over het uitstelgedrag dat me zoveel parten speelt. Voor iets wat Het zilte leven heet moet ik enkele teksten schrijven, ik moet mijn wekelijkse column voor De Zeewacht afwerken, ik heb nog een boek te bespreken, ik moet een stukje over Vasili Grossman schrijven en eentje over Dmitri Sjostakovitsj, mijn reeks over Hendrik Consciences Leeuw van Vlaanderen ligt daar ook nog… Werk genoeg. Maar ga ik met dat lijstje aan de slag? Neen, ik stel dat allemaal uit. Ik struin liever het internet af om aan sites te blijven haken die me niet echt interesseren, draai tussendoor een wasje, maak het bed op en begin uiteindelijk een stukje te schrijven waar niemand om vraagt, zelfs ik niet. Zo gaat dat nu altijd, zo zit ik in elkaar.
Intussen is de was klaar. Tussen mijn koertje en dat van mijn buurvrouw staat een hoge muur. Terwijl ik mijn ondergoed ophang hoor ik hoe ze aan gene zijde de achterdeur opent. De geur van versgemaakte soep komt me tegemoet. ‘Ha, buurvrouw,’ roep ik vanaf deze kant, ‘heb je verse soep gemaakt?’ Ze bevestigt. ‘Ze ruikt echt lekker,’ zeg ik, ‘ze geurt zo lekker dat het water me in de mond komt.’
De muur maakt ons onzichtbaar, maar hij staat een goed gesprek niet in de weg. ‘Waarom,’ vraagt ze, ‘kom je er niet van proeven?’ Daar zeg ik niet neen tegen. Ik laat de wasmand staan, ga mijn huis binnen, trek de voordeur achter me dicht en bel aan. Ik hoor de zoemer, ga naar haar keuken en eet daar een bord verse soep die even lekker smaakt als ze ruikt. We babbelen nog twee minuten over koetjes & kalfjes en ik trek weer naar mijn koer waar ik de rest van de was ophang.
Dat is, denk ik, terwijl ik nog een marcelleke aan de draad hang, de reden waarom ik dit verhaal schrijf en al de rest laat liggen. Zo'n verhaal herinnert me eraan dat een ander leven mogelijk is, een leven waarin je bij de buurvrouw soep gaat eten, waarna je gewoon doorgaat met het ophangen van de was. Of een leven waarin je een verhaal schrijft over ’t ophangen van de was, terwijl de geur van soep je tegemoet komt. Wat, en dat is het punt, uiteindelijk op ‘t zelfde neerkomt, want in beide gevallen draait het uit op een verhaal dat ik eerst Het rijk van de vrijheid had willen noemen, maar omdat ik dat te bombastisch vond, veranderde in Soep, wat een wijle later iets te simpel bleek te zijn en dat uiteindelijk de titel zal dragen die hierboven staat, maar waarover ik nu eerst nog een beetje moet nadenken.
Vroeger was ’t veelal de reuk van tabak die me van over die muur tegemoet kwam. We hadden toen ook al zo’n gesprekken, mijn buurvrouw en ik, en ‘t gebeurde ook wel dat ze tijdens zo’n gesprek een Marlboro over ’t muurtje gooide. Dan zaten we samen te roken, elk langs een kant van de muur. Later stopte ze met roken, waarin ik haar geen ongelijk kon geven. Dat zei ik toen ook tegen haar, over dat muurtje heen, dat ik haar geen ongelijk kon geven. 'Maar', zo had ik er wel aan toegevoegd, 'Wat kan ik nu nog bedenken om niet aan de slag te moeten gaan?'
Verward als ze was, omdat ik opeens heden en verleden door elkaar begon te halen, antwoordde ze daar eerst niet op, maar na een tijdje stelde ze een wedervraag: 'Heb je al een titel voor dit verhaal gevonden?'
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen