vrijdag 26 februari 2016

Zout op mijn huid, of de zeevisser als de gans andere

‘Bij hen stonden vakmanschap, eerlijkheid en moed hoog in het vaandel; gezondheid was een goede eigenschap en vermoeidheid een tekortkoming verwant aan luiheid. Werk werd afgemeten aan zijn nut, nooit aan de moeite die het kostte of aan de tijd die ervoor nodig was.’ Dit citaat, over het arbeidsethos van de zeevissers, komt niet uit een sociologische verhandeling en evenmin uit een rapport van de VDAB. Het komt uit de roman Zout op mijn huid van de Franse schrijfster Benoîte Groult.
Zo verbeeldt die auteur zich de vissers. Komt die verbeelding overeen met de werkelijkheid? Ik herken er alvast de zeevissers in die ik, als uitgever van Het Visserijblad, een kwarteeuw lang bekeken heb. Een mens vraagt zich af hoe die Benoîte Groult het voor elkaar gekregen heeft.
Die vraag wordt echt boeiend wanneer je er een citaat uit La Nausée van Sartre aan toevoegt: 'Ieder mens is een verhalenverteller. Hij leeft omringd door zijn eigen verhalen en de verhalen van anderen. Hij ziet alles wat hij meemaakt in het licht van die verhalen en hij probeert zijn leven te leiden alsof hij het vertelde.'

 De visser leeft zijn leven alsof het een verhaal is, de auteur kaapt dat verhaal in een roman en die roman bevestigt de visser in het beeld hij van zichzelf heeft. Of hoe fictie de werkelijkheid mee reproduceert.
In die roman beschrijft Groult een unieke liefde. Daarvoor heeft zij twee compleet tegengestelde protagonisten nodig, twee mensen die in compleet tegengestelde werelden compleet tegengestelde levens leiden en desondanks in een langdurige liefdesrelatie terechtkomen.
George, het vrouwelijke hoofdpersonage, haalt Benoîte Groult uit het milieu dat ze van thuis uit kent, dat van de Parijse bourgeois bohémien: ‘Bij ons, Parijzenaars die flirtten met de artistieke avant-garde (mijn vader gaf een tijdschrift over moderne kunst uit), werd eerlijkheid een beetje belachelijk gevonden, behalve voor een dienstmeisje. Men had alle begrip voor mislukkelingen en nietsnutten als ze maar geestig waren en zich wisten te kleden, en een zekere vertedering voor mondaine alcoholici.’
— Benoîte Groult —
Daar tegenover moet de gans andere komen te staan. De schrijver bedenkt daarvoor het personage Gauvain, een Bretoense visser, waarvan George zegt: ‘En met de onbuigzaamheid die toen de plaats innam van mijn persoonlijkheid kon ik hem zijn gebrek aan cultuur niet vergeven, zijn gewoonte om de haverklap te vloeken, zijn voorkeur voor bedrukte jacks en voor sandalen waarbij hij sokken droeg, zijn sarcastische glimlach bij abstracte schilderijen die hij de dag ervoor in het museum in enkele zinnen die blijk gaven van een boosaardig gezond verstand had afgekraakt; noch zijn duidelijke voorliefde voor Rina Ketty, Tino Rossi en Maurice Chevalier, precies die zangers die ik niet kon uitstaan en die ik op mijn beurt in een paar besliste zinnen met de grond gelijk had gemaakt! Ik vergaf hem niet dat hij het brood in zijn handen sneed en zijn vlees van tevoren op zijn bord, noch dat hij een beperkte woordenschat had die twijfels opriep over zijn denkvermogen.’
Als Parijse intellectuele kun je op zo’n gans andere mens wel verliefd worden, want tegengestelde polen trekken elkaar aan, maar je kunt er niet mee thuiskomen: ‘Met een visser pronken zou leuk zijn geweest voor een avond: mijn ouders waren dol op zeemansliederen, op de met messing anker versierde leren riemen die aan boord werden gevlochten, op de grote Bretonse baretten die alleen nog door vakantiegangers werden gedragen en op de kunstmatig verkleurde kostuums van rood en marineblauw linnen die nog authentieker waren dan de kostuums van de vissers.’
‘Maar echte vissers van vlees en bloed, en dan niet bij de viskraam of aan boord van hun tonijnvissersboot of trawler waar ze er zo edel uitzagen, zo leuk ook met hun gele oliejassen en lieslaarzen (“Die kerels, petje af!”) Maar een echte zeeman op het tapijt van een Parijs’ appartement, met een bedrukt jack en met rouwranden onder zijn nagels, goeiemensen!’
George en Gauvin trouwen niet met elkaar. Na al wat hierboven staat valt dat licht te begrijpen, maar het staat de liefde niet in de weg en de passie nog minder. Vele jaren nadat het tussen die twee voor ’t eerst gevonkt heeft, gebeurt nog altijd dit: ‘We hadden de hele nacht nodig om ons van ons verlangen te verlossen.’

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen