maandag 6 maart 2017

Aan het sterfbed van de literatuur

— Van links naar rechts: Yves Petry, Joël De Ceulaer, Edouard Louis. —

In De Morgen voeren schrijver Yves Petry en journalist Joël De Ceulaer een debat (°) waarop ik ja en neen wil antwoorden. De vraag die ze al twistend proberen te beslechten is deze: hebben schrijvers een belangrijke rol te spelen in het publieke debat.
Petry, zelf schrijver, denkt van wel. De Ceulaer meent van niet: ‘Het is een misverstand (…) dat schrijvers visionaire lieden zijn, die over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid beschikken. Dat zij hun volk kunnen gidsen en leiden en verheffen. Omdat ze ons kunnen waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen. Omdat ze gevoeliger zijn, omdat ze dieper en verder zien dan wij, gewone stervelingen. Omdat ze een zesde zintuig hebben voor wat echt belangrijk is. Dat misverstand moet dringend de nek worden omgewrongen.’
Ik heb het debatstuk meegenomen naar Frankrijk, waar ik enkele dagen op een berg gaan zitten ben. Ik heb het meegenomen omdat ik denk dat ik noch met Petry noch met De Ceulaer akkoord ga. Daarom heb ik ook nog eens twee boeken meegenomen die me inzicht kunnen geven in die pennentwist. Lang geleden heb ik ze in de Slegte gekocht en vervolgens heb ik ze ongelezen weggezet. Dit is het geschikte moment, dacht ik, om ze ter hand te nemen. Het eerste heet De verbeelding van de intellectuelen en het tweede Schrijven of schieten. Beide, samen goed voor 756 bladzijden, hebben het over schrijvers die zich uitspreken over de gebreken van hun tijd.
Daar, op die berg, heb ik overdag hout gezaagd, ’s avonds heb ik toegekeken hoe de zon achter de berg wegzakt en ’s nachts heb ik naar France Culture geluisterd. En die boeken… die heb ik wéér niet gelezen. Ik beklaag me dat geenszins, maar het gevolg is wel dat ik naar dit platte land terugkeer zonder dat ik mij in die prangende kwestie ingelezen heb.
Maar kijk, ik blader door de kranten die tijdens mijn afwezigheid in de bus gevallen zijn en stoot op een essay van de Franse schrijver Edouard Louis (°). Die Louis schijnt De Ceulaer in het ongelijk te stellen. Die schrijver beschikt wel degelijk over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid en hij kan ons daardoor waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen.
Ik citeer Edouard Louis: ‘De kip-of-eivraag, wat er eerst is en wat daarna komt, is ongetwijfeld één van de belangrijkste instrumenten om de wereld te begrijpen. Zeg nooit: de volksklasse wil niets weten van de legitieme cultuur, maar zeg: de cultuur wil niets weten van de volksklasse die op haar beurt niets van de legitieme cultuur wil weten. Zeg nooit: de volksklasse is gewelddadig, maar de volksklasse lijdt onder het geweld dat haar dagelijks wordt aangedaan en neemt dat gewelddadige gedrag bijgevolg over, door bijvoorbeeld voor het Front National te stemmen. Eerst is er de overheersing, de verantwoordelijkheid ligt altijd bij de heersende klasse.’
Dat betekent dan weer niet dat Petry gelijk heeft, want het besluit van Louis zal Petry niet graag lezen: ‘[Z]olang een groot deel van de boeken alleen bestemd blijft voor de bevoorrechte klasse, zolang ze een kaakslag blijft voor mensen zoals mijn moeder en die taxichauffeur, mag de literatuur ten onder gaan. Ik zal onverschillig aan haar sterfbed staan.’
Flor Vandekerckhove

(°) De Morgen, woensdag 22 februari, in Uppercut #2, Yves Petry: ‘Mogelijk is wetenschap voor u alleen maar een alibi voor uw neerbuigendheid over literatuur’ / Joël De Ceulaer: ‘Om de werkelijkheid te begrijpen schieten wij niets op met intuïtie. Cijfers hebben we nodig.’
(°) Edouard Louis. Een boek, een kaakslag. In De Standaard der Letteren, 3 maart.

Een reactie posten