donderdag 10 mei 2018

Gang

[Wat hieraan voorafgaat leest u eerst in Silicone en daarna in Vlucht.]

Achter me slaat de voordeur dicht en ik bevind me in een lange, donkere gang. In het duister ontwaar ik een rij deuren.
Blijf ik staan of loop ik door tot ’t einde? Open ik een van de deuren en zo ja, welke? Terwijl ik twijfel, hoor ik in de verte een stem die twijfel zegt. Hij komt uit een verafgelegen kamer. Weifelend en tastend ga ik eropaf. Ik leg mijn oor tegen de deur en denk na of ik ga aankloppen of niet.
Aankloppen of niet, hoor ik de stem zeggen. Hij komt niet van achter die deur, maar uit een andere kamer.
Terwijl ik ernaartoe stap, wil ik hallo roepen, maar de stem is me voor. Vanuit weer een andere kamer, deze keer aan gene zijde van de gang, hoor ik hallo.
Ik weet zeker dat ik die stem ken, maar hem thuiswijzen lukt me niet. Ik breek me er het hoofd over.
Het hoofd over, zegt de stem onverwachts, en hij komt uit een nog verder gelegen kamer.
De stem lijkt wel de echo van mijn eigen gedachten te zijn. Weer trek ik verder de gang in, en gaandeweg word ik me ervan bewust dat de stem me iedere keer te vlug af is.
Te vlug af is, roept de stem nu luid, en hij komt duidelijk van achter de laatste deur. Wat ook duidelijk wordt is dit: de stem achter al die deuren is die van mij. Wat een reeks bangelijke vragen oproept. Als die stem van mij is, ben ik dan ook degene die daar spreekt? En als ik in die kamers zit, wie loopt hier dan in deze gang? Het lijkt er wel op dat in een soort simulatiehypothese van Bostrom terechtgekomen ben, een filosofisch gedachte-experiment waarover ik hier niet kan uitweiden omdat ik dringend uit dat huis weg moet zien te geraken.
Ik denk niet langer na. Mijn hart klopt in mijn keel. Met een ruk trek ik de laatste deur open.
In het deurgat word ik verblind door zonlicht. Ik sta weer buiten en kijk uit over dezelfde straat die ik aan gene kant van de gang achter me gelaten heb. Van mijn belagers valt gelukkig niets meer te bespeuren. Weer slaat de deur achter me dicht.
Voorbijgangers staren me aan. Ik probeer hen uit te leggen wat me overkomen is, maar ik ben sprakeloos. Mijn stem is in het huis gebleven.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten