zondag 5 augustus 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (1)

Onderstaande verhalen hebben een ontstaansgeschiedenis. Ze vinden hun oorsprong in mijn ‘vissersverhalen’ uit 2015-16.
Die ouwe verhalen schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die manier heb ik nu gevonden.
In oorsprong zijn die verhalen al kort en een aantal ervan zijn meteen als handpalmverhaal gepubliceerd. Toch vind ik ze allemaal te lang.
De oplossing heb ik gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van honderd woorden. Niet meer, niet minder. En je begrijpt dat elk woord telt. Net als deze inleiding die eveneens honderd woorden telt.
Flor Vandekerckhove




BalHet bal is voor ’t laatst doorgegaan in 1955, op de scheepswerf van Panesi, aan de Nieuwe Werfkaai in Oostende. Het daaropvolgende jaar weigeren de vissers om de scheepsbouwers nog ten dans uit te nodigen. De arbeiders proberen wel om er alleen mee door te gaan, maar die poging mislukt deerlijk. Daarmee komt een einde aan het meest merkwaardige feest van de Oostendse vissersgemeenschap, Het bal der mannen, dat zijn oorsprong vindt in tijden waarin de jacht nog meester over de dingen is, de tijd waarin Ezau zijn eerstgeboorterecht nog niet verkwanseld heeft voor een bord soep, linzensoep nog wel!



MieteHet schip kwam nimmer weer. Miete Delanghe had daar niets mee te maken, maar de vissers dachten van wel. Zo verwierf Miete een kwalijke reputatie die haar evenwel geen windeieren legde. Ze liep nu dagelijks de Visserskaai af. Bij het horen van haar stem haastten de schippers zich om haar een handvol garnalen aan te bieden. Met die waar trok Miete Delanghe de stad in, waar de gevels haar schelle stem weerkaatsten. Omdat zij daar veel succes mee had werd haar roep door andere viswijven overgenomen. En daardoor komt het dat haar woorden alom te horen waren: Vasche gernoas zie!



Oog — ‘Ze is een vat vol tegenstrijdigheden,' zegt de dichter. Het oog van de storm blijkt dus een vrouw te zijn. ‘Ze is een wandeling op het scherp van de snee’ zegt hij, ‘een tehuis voor oude mannen die hun tanden op de liefde stukgebroken hebben.' Ik kijk hem met grote ogen aan. 'Stel je een plek voor', zegt de dichter, 'waar het warm en veilig is; stel je een mooie vrouw voor die zegt: kom binnen, ik ben je schuilplek voor de storm.' Maar, voegt hij er bezwerend aan toe: 'Ga niet al te licht binnen in die goede nacht.’



Hope — Rond haar hing de weeë geur van garnalen. ‘Ik ken je’, had ik gezegd, ‘jij bent Hope van de viswinkel.’ We raakten in gesprek en het was aan ’t dagen toen we naar haar flat trokken. We probeerden te vrijen, maar dat ging niet goed omdat ik in slaap aan ’t vallen was. Al gauw volgde een gevangenisdroom. Toen ik de openstaande celdeur ontwaarde greep ik mijn kans en sloeg op de vlucht. Althans, dat probeerde ik, want hoe hard ik ook liep, ik geraakte nog geen meter dichter bij de deur die zich intussen alweer aan ’t sluiten was.

(Er staat al een volgende reeks ‘verdrabbelde vissersverhalen’ in de blog: klik hier.)
Een reactie posten