zondag 12 augustus 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (2)

Deze drie verhalen hebben een ontstaansgeschiedenis. Zij vinden hun oorsprong in de ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 geschreven heb. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die heb ik nu gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, Niet meer, niet minder. En elk woord telt! Er staat overigens al een eerste reeks 'verdrabbelde' vissersverhalen in de blog en die vind je hier. (Flor Vandekerckhove)



Taboe — We staan op ’t einde van de pier en wachten. De pastoor heft een hymne aan. De meisjes roepen: ‘Dáár!’ Sierlijk als een mooie vrouw die met een perfecte zwemslag door de golven klieft, glijdt het schip voorbij,  We joelen, de meisjes ontbloten uitdagend hun borsten. Ik roep: ‘Kijk schipper, er staat een pastoor op de pier!’ Waarop de schipper ons zijn bloot gat toont. Terwijl het schip onverstoorbaar zee kiest, staren wij het na. De meisjes knopen hun blouses dicht en terwijl we op onze schreden terugkeren, neemt de pastoor ons op de pier nog vlug de biecht af.


Roeschaart — Voor me ligt het lege blad dat me zo’n schrik aanjaagt. Wat is het toch dat me ’t schrijven belet? Zou het de roeschaard zijn? Laat me eens kijken hoe Duribreux erover schrijft: ‘Bij elke dertiende seconde klieft de straal van den vuurtoren zijn sluierige gedaante; doch telkens, na een weifeling, hervormt hij zich en drijft verder. Boven de witgewuifde nokken van de huizen ontneemt de wind hem steun. Plots stuikt hij neer en wordt onzichtbaar.’ De roeschaard is op me neergestuikt en belet me zijn verhaal te schrijven. (Of ’t zou moeten zijn dat ik dat zojuist gedaan heb.)



Lurre — Hij vertelde over de jaren vijftig, in de Oostendse vismijn, werkdagen die om zes uur ’s morgens begonnen en tot zeven, acht uur ’s avonds konden uitlopen. Tussen het vele werk door mocht hij er wel vlug een gaan kraken. Dat had hij ook nodig, want met zijn drankmisbruik ging het van kwaad naar erger. Lurre besloot er zelf een punt achter te zetten. Op een dag nam hij de fiets, reed ermee het staketsel op, fietste tot helemaal op ‘t einde van die pier en hield niet op met trappen toen de diepe zee het van het land overnam.

(Wie terug wil spoelen naar de eerste reeks 'verdrabbelde vissersverhalen' klikt hier.)
Een reactie posten