zondag 9 februari 2014

Kelderverhaal (3)


Wakker werd ik doordat mijn neus jeukte. Ik keek recht in het gezicht van Rolf die me met een pluimpje aan ‘t kietelen was. ‘Dag slaapkopje,’ zei hij, ‘wie ben jij?’
‘Ik woon hier’, antwoordde ik een beetje naast de kwestie.
‘In deze kelder?’ Rolf keek verwonderd om zich heen. Hij keek naar de gesloten kelderdeur, naar het matte glas dat vanuit de gang een flauw licht in de kelderruimte liet vallen en naar de damesjurk die naast die deur aan een kleerhanger opgehangen was. Het leek hem geen woonplaats te zijn voor een kleine jongen als ik. 'Hier is niet eens een WC', constateerde hij.
Dus corrigeerde ik mezelf en zei: ‘En ook in het huis dat erboven staat.’
De aanwezigheid van Rolf beangstigde me geenszins. Ik weet niet hoe dat komt, want ik was van nature toch eerder een angstig kind. Nog minder valt het te verklaren dat ik meteen de naam kende van deze jongen die ik nooit eerder gezien had en waarover niemand me ooit iets verteld had. Van zodra ik hem zag voelde ik grote gevoelens van vriendschap in me opborrelen. Was het daardoor dat ik geen angst voelde?
‘Wat doe jij hier?’ Nu was het mijn beurt om vragen te stellen.
‘Ik kom kijken of hier geen boterham te ritselen valt,’ antwoordde Rolf.
‘Ik zal er morgen een naar beneden gooien,’ beloofde ik, ‘maar dan moet je me eerst zeggen of je al naar school gaat.’
Rolf begon luid te lachen, onbedaarlijk zelfs, zo luid dat ik vreesde dat mijn moeder het zou horen. ‘Ik ga helemaal niet naar school,’ zei hij, terwijl hij de tranen uit zijn ogen wreef, ‘want ik ben een berenjager.’
Mij verwonderde het niet dat ik een berenjager in mijn ouderlijke woning zag.  Want ik had eerder al opkopers van konijnenvellen ontmoet, verkopers van tweedehandswagens, scharenslijpers, vertegenwoordigers van koffie die Zwarte Kat heette, werklozen, iemand met maar één been, belastingcontroleurs, Franstaligen en voddenrapers; niet in de kelder uiteraard, maar boven in de winkel. En al die mensen hadden me weten te boeien, wellicht omdat ze anders waren, anders dan mijn ouders.
‘Vertel,’ riep ik nu verlangend, ‘vertel me een berenverhaal.’
Rolf ging een beetje verder van me af zitten, alsof hij enige ruimte nodig had om zijn verhaal met brede armgebaren te illustreren en hij vertelde me dat hij eerder die dag al naar de grote stad geweest was, waar hij aan een optocht van berenjagers had deelgenomen. Er was wel volk op afgekomen, maar veel had de betoging toch niet opgeleverd, niets eigenlijk, want de eisen van de berenjagers werden niet ingewilligd. De oude koning had de troon wel moeten afstaan, en misschien kon dat een overwinning genoemd worden, maar diens opvolger was meteen op die troon gaan zitten. En het zag er niet naar uit dat de berenjagers met die jonge monarch beter af waren, 'want', zo voegde Rolf daar nog aan toe, 'De Koning Drinkt en hij draagt De Hoed van Geeraard de Duivel.'
Een tijdje zaten we zwijgend naast elkaar, Rolf en ik, terneergeslagen omwille van zoveel onbegrip vanwege het koningshuis jegens de zaak van de berenjagers. Voor het eerst in mijn leven verkeerde ik in een impasse. Zelf kon ik die zaak niet vooruithelpen, want ik was nauwelijks vijf, ik kon alleen maar wachten en hopen op een initiatief van Rolf die wel tien jaar ouder was dan ik, en die de belangen van de berenjagers door en door kende.
‘Ik heb een idee’, zei Rolf opeens, ‘Omdat jij het dapperste kind bent dat ik vandaag ben tegengekomen, benoem ik je tot generaal van mijn berenjagersleger; generaal Slaapkopje! Morgen gaan we samen op berenjagerspad, dat beloof ik je. Maar dan moet jij zweren dat je weer een boterham voor me meebrengt, want je hebt dat eerder al beloofd en ik heb er honger van gekregen.
Ik beet hard op mijn wijs- en middenvinger, toonde de inkeping die erop af te lezen stond en zegde plechtig: ‘Ik zweer het.’
Net op het moment dat mijn moeder het slotje heromdraaide en de deur opentrok, verdween Rolf door het keldergat de wijde wereld in. Een ogenblik vreesde ik dat ze het opgemerkt zou hebben, dat ze nog een glimp van Rolf zou opgevangen hebben, maar moederlijk als ze was zag ze alleen maar vrees in mijn ogen en zei sussend: ‘Je moet geen schrik meer hebben. Kom maar uit de kelder. En ga je nu braaf zijn?’
Ik stond recht, zei ‘Rolf’ en zij antwoordde: Ja, het is al goed, kom nu maar naar buiten.’
Het gebeurde wel meer dat ik dingen zei die mijn ouders niet begrepen. Daardoor wist ik dat het geen zin had om het hun uit te leggen. Dat gold zeker in dit geval, want de koningskwestie had de geesten in die tijd al meer dan genoeg beroerd. Nu de zaak beklonken was, vonden mijn ouders dat het tijd werd om die kwestie achter zich te laten en de blik, gauw gauw, naar de toekomst te wenden.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten