woensdag 31 augustus 2016

Leren schrijven met Clarice Lispector

Tussen 1967 en 1973 schrijft ze wekelijks een kroniek in de Jornal do Brasil. Die columns zijn inmiddels gebundeld en vertaald als De ontdekking van de wereld. Clarice Lispector (1920-1977) wordt op de flap van dat boek een van de grootste twintigste-eeuwse auteurs van het Latijns-Amerikaanse continent genoemd.
Het duurt een tijdje vooraleer ze in dat columngenre haar draai vindt (‘Is een column een verslag? Is het een gesprek? Is het de weergave van een gemoedstoestand? Ik weet het niet, want voordat ik begon te schrijven voor de Jornal do Brasil had ik alleen maar romans en verhalen geschreven.’) en je voelt dat wanneer je dat boek leest. Of misschien moet ik zeggen: ik voel dat, want ik schrijf nu zelf al een aantal jaren zo’n column in een weekblad en ik heb dat ook zelf ervaren: het duurt enige tijd vooraleer je daar je stijl, toon & ritme in vindt; zo'n column is een genre dat veel mogelijke genres in zich draagt.
Lispector is een rasschrijver: ‘En ik ben geboren om te schrijven. Het woord is mijn heerschappij over de wereld. Sinds mijn kinderjaren heb ik verscheidene sterke roepingen gehad. Een daarvan was schrijven. Waarom weet ik niet, maar die roeping ben ik gevolgd. Misschien omdat ik voor de andere roepingen een langere leertijd zou nodig hebben, terwijl bij het schrijven de leertijd bestaat uit het eigen leven dat in en om je heen geleid wordt. (…) Ik heb vanaf mijn zevende geoefend om ooit de taal in mijn macht te krijgen. En toch is het telkens ik de pen oppak alsof het de eerste keer is. Elk boek van mij is een moeizaam en gelukkig debuut. Dat vermogen om mezelf volledig te vernieuwen naarmate de tijd verstrijkt, is wat ik leven en schrijven noem.’
Schrijven, het doet iets met een mens, zoveel is zeker. Maar wat? Clarice Lispector formuleert een antwoord. Ze heeft het daarin over het schrijven van columns, maar ik kan mezelf er niet in herkennen. Misschien komt dat doordat Lispector in haar stukjes op zoek gaat naar de niet te vatten zielenroerselen van de innerlijke mens, materie die mij maar matig interesseert. Misschien is het iets typisch Latijns-Amerikaans of Braziliaans, of zelfs typisch voor Rio, want ook dit is iets wat ikzelf nog niet heb mogen ervaren: ‘(…) columns schrijven heeft iets mysterieus wat ik niet begrijp: columnisten, tenminste hier in Rio, zijn heel geliefd. En op zaterdag dit soort columns schrijven heeft me nog meer liefde gebracht. Ik voel me zo dicht bij mijn lezers. En zo gelukkig dat ik kan schrijven voor een krant, want ik heb zoveel ontzag voor kranten.’ Een bladzijde verder schrijft ze: ‘[V]oor een krant schrijven is een geweldige ervaring die ik nu opnieuw beleef, en journalist, wat ik ooit was en nu weer ben, is een geweldig beroep. Contact met een ander hebben via het geschreven woord is heerlijk. (…) En schrijven maakt een god van een mens.’
Vandaar wellicht dat Willem Kloos kan dichten: ‘Ik ben een God in ’t diepst van mij gedachten/ En zit in ’t binnenste van mijn ziel ten troon.’
Voor de rest blijft het leven een pijnlijke zaak, dat geldt zowel voor Kloos als voor het jonge opgroeiende meisje waaraan de schrijfster op latere leeftijd terugdenkt. En kijk, die zin alleen al maakt haar boek voor mij lezenswaard: ‘En ik, die niet gewend was aan wallen onder de ogen, voelde hoe er wallen kwamen te zitten onder mijn verschrikte ogen.’
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen