zondag 21 augustus 2016

Herinneringen aan Walter Debrock


Kort voor ik in 1988 probeer het teloorgegane tijdschrift Het Visserijblad nieuw leven in te blazen hoor ik Walter Debrock (1911-1996) op de radio. Hij heeft het over de geschiedenis van de Oostendse kapers.
Maritieme geschiedenis blijkt ‘s mans hobby te zijn. Kan ik die mens vragen om aan het blad mee te werken? Ik twijfel, Walter Debrock maakt niet bepaald deel uit van het jongensclubje dat ik bijeenbreng om dat blad weer uit te geven.
In het beroepsleven is hij leraar-prefect geweest, directeur van het middelbaar & het normaalonderwijs, administrateur-generaal van de Diensten voor Nederlandse cultuur, docent aan de VUB en voorzitter van de Raad van Beheer van dezelfde universiteit. Hij is, met andere woorden, niet het soort mens dat ik — yo de mannen! — spontaan op de rug sla.
Ik doe het toch, hem opbellen bedoel ik. In Brussel krijg ik een meer dan bereidwillig man aan de lijn. Ik vraag hem om ons een stukje over die kapers te leveren.
Dat stukje groeit uit tot een lange reeks, waarin elke Oostendse kaper een eigen aflevering krijgt. De reeks loopt vele maanden lang. Het Visserijblad speelt erdoor in een hogere divisie, het legt ons geen windeieren.
In die tijd publiceer ik ook mijn eerste literaire werken. Ik overtuig mijn uitgever om ook de ‘verzamelde kapers’ uit te geven. Dat gaat uiteindelijk niet door omdat die mens zijn onderneming onverwachts stopzet.
Ook omdat ik daar zelf nog een boek in de pijplijn heb zitten, richt ik naast Het Visserijblad een eigen uitgeverijtje op, De Lachende Visch. Die geeft in 1994 ook De Oostendse kapers van Walter Debrock uit.
Die boekvoorstelling herinner ik me als de dag van gisteren. Ik heb alles minutieus voorbereid. Er is een geslaagde voorverkoop geweest. Le tout Ostende is uitgenodigd.
In Oostende is er in die tijd een bankfiliaal dat zijn bovenverdieping openstelt voor culturele manifestaties. Ik reserveer de zaal. Jawel, voor vrijdag de dertiende, we lachen er nog om.
Dezelfde dag bezet een nieuwe filiaalhouder het kantoor. Hij moet zijn weg nog zoeken, zegt hij. Hij overhandigt me de sleutel en vertrekt op weekend. Die avond probeer ik de deur te openen. Tevergeefs, de sleutel past niet in het slot.
Debrock is intussen aangekomen. Hij ergert zich aan zoveel amateurisme. Ik kan hem geen ongelijk geven, maar ik kan er evenmin iets aan doen. Ik probeer de filiaalhouder te bellen. Zonder resultaat. Intussen komen al gasten aan. Ik bel naar de vorige filiaalhouder, ik bel naar andere bankfilialen, naar… Niemand neemt op, ’t is vrijdagavond. Zie me daar staan op de hoek van de grootste Oostendse winkelstraat, met mijn kartonnen dozen en een bende chic volk om me heen.
Ik moet iets bedenken. Om de hoek, op het Wapenplein, bevindt zich het Cultuurpaleis van Oostende. Dat heeft een open binnenplein. Dat is een openbare, maar toch afgescheiden plek, het is mooi weer, onweerachtig warm zelfs… Een boekvoorstelling in open lucht, het is weer eens iets anders.
Ik laat iemand achter bij dat bankfiliaal, die laatkomers naar het plein stuurt. Dat vult zich helemaal met genodigden. Vlak voor de plechtigheid van start gaat begint het out of the blue te regenen, niet zomaar een beetje, echt een hevige stortbui. Ik ben aan het einde van mijn improvisatiemogelijkheden.
Onder de genodigden bevindt zich Marc Victor die aan de Stad werkt. Hij heeft sleutels van dat Cultuurpaleis op zak, omdat hij daar bij calamiteiten binnen moet kunnen. Hij ziet het drama, laat zijn ambtelijke voorzichtigheid varen en opent de deur van de receptiezaal. Ik ben er hem tot vandaag dankbaar voor. 120 natgeregende genodigden stormen naar binnen. 
Flor Vandekerckhove


Op de foto bovenaan kan ik (links) er alweer om lachen. Walter Debrock (†), rechts, heeft het er moeilijker mee. Maar de gebroeders Piet (†) en Mathieu De Vestele zijn in hun nopjes; de broers zijn dan ook nazaten van een Oostends kapersgeslacht.
Een reactie plaatsen