zondag 7 augustus 2016

In koelen bloede (II)

Nadat ik hier zes gangsters omgelegd had, moesten mijn maat en ik uiteraard de stad ontvluchten. Dat deden we dezelfde nacht nog, in zijn Lada — 't is lang geleden, dat automerk bestaat niet meer. Terwijl hij reed genoot ik op de achterbank van een welverdiende nachtrust.
Toen ik uitgeslapen was, keek ik om me heen. We stonden stil, te midden de beemden, op een verharde landweg. Mijn maat zei me dat we geen benzine meer hadden. Op het einde van die weg lag een boerderijtje. Ik keek ernaar met de verrekijker die standaard bij een Lada geleverd werd. De luiken waren halfdicht, de zon stond in het zenit. Voor de deur stonden twee tractoren. 
We stapten de weg af naar het boerderijtje. De boer en zijn boerin hadden ons al van verre zien komen en het koppel stond ons in het deurgat op te wachten. Of we zin hadden in een koffie. Ja, dat hadden we. Of er een scheut cognac in mocht. Ja, dat mocht.
Ik legde onze situatie uit. Dat ik in de Cherry’s zes gangsters omgelegd had, dat we de stad ontvlucht waren en nu geen benzine meer hadden. De boerin antwoordde dat zij nooit in de stad zou kunnen aarden, dat het haar daar te heftig was. Dat begreep ik wel en we dronken nog een koffie.
De boer wilde ons wel enige benzine verkopen. Terwijl ik een kakje ging doen, haalde hij de jerrycan uit de schuur. Ik hoorde hoe hij de motor van een tractor startte en via het hartje dat zo’n landelijke toiletdeur in die tijd had, zag ik hoe de boer mijn maat op de tractor meenam richting Lada.
Toen ik weer in de woning kwam zei de boerin enigszins overbodig dat mijn maat vertrokken was. Dat hij me straks zou oppikken. Ze had het rolluik van het keukenraam opgetrokken en stond de tractor na te kijken.
Ik kwam achter haar staan en legde een hand op haar kont. Terwijl we samen naar de almaar kleiner wordende tractor keken begon ik haar rok omhoog te schuiven. Ze gaf geen krimp. Terwijl we toekeken hoe die twee in de verte met de jerrycan in de weer waren, trok ik haar broekje weg. Daar, voor dat raam, tegen het aanrecht, nam ik haar van achteren.
Tegen de tijd dat mijn maat de auto gestart had en de boer de terugweg aanvatte was ik daarmee klaar. We bleven voor het raam staan, de boerin en ik, en zwaaiden toen de mannen het erf weer kwamen opgereden.
Ik wil maar zeggen: zo koelbloedig was ik in die tijd. En die boerin moest geenszins voor mij onderdoen.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten