vrijdag 5 augustus 2016

Visserin

— Liliane Saudemont (rechts) in een Oostends visserscafé. — 

Wekelijks schrijf ik voor de krant De Zeewacht een column die Lapkoes heet. Dat is ook de naam van een vissersrecept en dat recept vind je hier. De column is met reden naar dat recept genoemd, want daarin heb ik het over een zootje onderwerpen uit de visserij.
Het is ook letterlijk een column, exact een krantenkolom lang, 1900 tekens, spaties inbegrepen. Elke week is het een oefening in schrappen, zoals ook nu weer.
In die column wil ik het ook eens over vrouwelijke zeevissers hebben. Die zijn er nauwelijks. Momenteel zijn er zelfs geen, toch niet in Vlaanderen, niet op Belgische schepen. Ze zijn zo zeldzaam dat het woord visserin niet in het Groene Boekje voorkomt.
Gaston Duribreux heeft het er nochtans over in zijn roman De laatste visschers: ‘Vroeger jaren, als men zes maanden op de IJslandvaart wegbleef, ging de vrouw soms in zee. Of als de schipper gebleven was en de zoon te jong om te varen, dan nam de vrouw zoolang het gezag van de boot in handen.’ Maar een roman is fictie, al denk ik dat het in de vissersgezinnen van de Westhoekduinen ook wel in 't echt voorgekomen is.
Persoonlijk heb ik maar drie visserinnen gekend. In Nieuwpoort is er een schipper geweest die zijn dochter als scheepsjongen mee aan boord nam. In Oostende was er een meid die kort op een vissersvaartuig stage gelopen heeft. Carine Ulin heeft het langer volgehouden. Zij is lang de tweede man op ’t schip van haar echtgenoot geweest.
De moeder aller Vlaamse visserinnen is ongetwijfeld de Oostendse Liliane Saudemont. Zij is het die in de jaren vijftig het mannenmonopolie openbreekt.
Die visserin stamt uit een zeemansgeslacht. Na de Tweede Wereldoorlog wijkt de familie uit naar Canada waar het niet ongewoon is dat vrouwen zeeman worden. Liliane begint er als lichtmatroos op kleine scheepjes te werken en schopt het tot stuurman.
In 1952 keert de familie weer naar België, waar vrouwen aan de haard vasthangen. Voor de zeemanscarrière van Liliane dreigt het einde. Pogingen om in de koopvaardij aan de bak te komen lopen op niets uit.
Ze probeert het in de visserij. In een rederijkantoor geeft vader Saudemont in 1955 te kennen dat zijn zoon Leon vaart zoekt. Wanneer een vaartuig van die rederij een matroos te kort komt, wordt de onbekende Leon ingeschakeld.
Het schip verlaat de haven. De schipper ontbiedt de matroos om ‘s mans papieren in orde te maken. Hij herkent Liliane. Het schip maakt rechtsomkeer en Liliane wordt weer op de kaai gezet.
Het Visserijblad citeert haar: ‘Als de gazetten maar niet te veel over mij schrijven, zie ik nog wel eens kans om hier of daar aan boord te geraken. Intussen zal men het mij ook wel wettelijk toelaten.’ Daarin krijgt ze uiteindelijk gelijk. Het waterschoutambt tolereert enige tijd dat ze ter kustvisserij vaart. In 1961 verwerft ze ook de vereiste brevetten. Het mannenmonopolie is doorbroken.
Liliane Saudmont heeft echter ambities die de Belgische visserij niet kan inlossen. Ze verlaat de Vlaamse kust en gaat als matroos op buitenlandse vrachtschepen werken.
In Panama verwerft ze het brevet van tweede stuurman ter lange omvaart. Dat laat haar toe om op de brug van een cargo te staan die de kusten van de Middellandse zee bevaart. Voortaan wordt ze aangesproken als kapitein, kapitein Liliane Saudemont.
En nu: de helft van al die woorden schrappen. 

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten