dinsdag 9 augustus 2016

Terug naar Bredene

Eerder moet ik al iets van Jana Antonissen gelezen hebben, maar het is pas nu dat haar naam me opvalt. In de krant lees ik Roots zijn relatief, haar aflevering in Redacteurs gaan terug naar hun geboortedorp, een reeks waarmee De Morgen de komkommertijd probeert door te komen. Ik leer eruit dat deze redactrice verdomd goed kan schrijven, en dat op zo’n jonge leeftijd: 23!
In het stuk keert ze terug naar de plek waar ze is opgegroeid, Rotselaar.
Het laat me denken aan een stuk dat ik in 1996 geschreven heb en dat Terug naar Bredene heet. Een uitmuntende gelegenheid om het uit de vergetelheid los te wrikken.

— Na vijfentwintig jaar, terug naar Bredene. De foto stond op 
8 januari 2016 in De Krant van West-Vlaanderen, boven de rubriek
'Ier bie uus'. En die keer was 't in Bredene(Foto Kurt Desplenter) —
1996 — De ambtenaar zet de schaar in mijn identiteitskaart. Daarmee komt een einde aan een kwarteeuw afwezigheid uit die gemeente. Terug naar Bredene!
Na vijfentwintig jaar ga ik er weer wonen. Kortrijk, Nazareth, Gent, Brussel, Amsterdam, Oostende… Het is allemaal voorbij. Ik voel me als Ismaël, de verteller uit Moby Dick, die weer op de bank gaat zitten waar hij lang geleden ook al gezeten heeft. Maar nu klaar om te vertellen.
Terwijl de snippers in de papiermand vallen heb ik twee epifanieën tegelijk. Ik haast me om ze op te schrijven.
Terug naar Bredene is een beweging, maar ook het omgekeerde ervan, het ophouden van een beweging, de voltooiing van een cirkel. Nog voor mijn oude identiteit de bodem van de papiermand raakt, weet ik dat dit grote gevolgen zal hebben. In Bredene zal werk gemaakt worden dat het werk afschaft en kunst die de kunst afschaft. Elke neerdwarrelende snipper is een stuk leven dat langzaam composteert. Op die compost zullen honderd verhalen bloeien.
Meer moet over die eerste epifanie niet gezegd worden. Daar zal je later nog wel van horen, wanneer onbekenden bloemen neerleggen bij het denkteken van Zegher Janszone, een vrijheidsstrijder uiteraard. Daar zal later verslag over uitgebracht worden in een tijdschrift dat nauwelijks bestaat, het orgaan van Terug naar Bredene, de beweging die er geen is. [Toen kon ik uiteraard niet weten dat het tijdschrift een blog zou zijn, want dat verschijnsel bestond in 1996 nog niet. Het woord weblog werd voor het eerst gebruikt op 17 december 1997.]
Terwijl de ambtenaar mijn oude identiteit vernietigt — maar niet voordat hij me een nieuwe gegeven heeft — wil ik hem vragen nog een ogenblik te talmen. Ik wil die snippers nog eens bekijken. ‘Wacht!’ roep ik, ‘Ik ben nog niet klaar met dat vuurtorengebied dat ik verlaten heb.’ De ambtenaar begrijpt me niet. Niemand mag twee identiteiten tegelijk in zijn hand hebben. 't Is Bredene of 't is Oostende, een mens moet kiezen!
Hoelang heb ik eigenlijk naast de Oostendse vuurtoren gewoond? Naast de haven, naast de kwestie, in dat gebied dat zoveel namen heeft: Vuurtorenwijk, Oude Vuurtorenwijk, Liefkemores, Lisjemorre, Negerdorp, Oosteroever, Oostblok van Oostende… Zoveel namen om een plek te vatten die onvatbaar is, een leegte gevuld met ordeloosheid die de burgerij pijn aan d’ ogen doet.
Te veel vragen dwarrelen nog onbeantwoord de papiermand in. Pleeg ik verraad door daar weg te gaan? Laat ik de boel in de steek? Moet ik daar niet in de weg blijven staan? Een beetje dwarsliggen?
— Het huis naast de vuurtoren waar ik tot 1996 gewoond heb. Buiten hangt het schilderij 'Madonna 
zeemeermin' (kunstenaarskoppel PIAS). Op de benedenverdieping was het kantoor van Het 
Visserijblad gevestigd. Het huis bestaat niet meer. Daar worden nu luxueuze flats gebouwd. 
De volksmond spreekt nu neerbuigend over  'Dubai aan de Noordzee'. (Eigen foto) —
Ik ben nog niet klaar met de teunisbloemen die daar ongevraagd tot laat in de herfst bloeien, en de tweede epifanie valt voor mijn ogen — dwarrel dwarrel — uit elkaar. Een sportterrein naast een baggermaatschappij, naast een verlaten militaire basis. Scheepswrakken waarop verworpenen der aarde komen overnachten en vrijen, spuiten ook. Dingen die het daglicht niet mogen zien, een vuur dat in de duinen aangestoken wordt. Vreemde vogels en dwergkonijnen aldaar achtergelaten door stedelingen.
Wat is het verband tussen dat alles of het zou ikzelf moeten zijn? Waarom ga ik daar dan weg? Zeker, er staat schimmel op de muren van het huis waarin ik woon, houtrot maakt dat ik de ramen niet open krijg en deze die helaas open staan niet dicht. Wat heeft de deur dichtgedaan? De schoorsteen die aan diggelen valt? Of is ’t de niet aflatende aanwezigheid van… laat ons ze initiatiefnemers noemen. De Europese Unie die geld wegschenkt om het gebied een nieuwe bestemming te geven; promotoren die de dingen opkopen; politici die de leegte met macht bedekken; de jachthaven die er vroeg of laat zal komen en daarmee ook de winnaars van de rat race die hun botentupperware! — tegen de kaai gaan leggen, vlak voor de gebouwen die niet langer lege pakhuizen zullen zijn…

Flor Vandekerckhove

(Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het aprilnummer 1996 van Het Visserijblad. In 2002 werd het opgenomen in de essaybundel Polemist ter zeevisserij. Ook omdat ik intussen wel beter leren schrijven heb, werd de tekst hier nu fel ingekort.)
Een reactie plaatsen