KATHELIJN VERVARCKE gunt hobbyisme geen kans. Ze bereidt een boek grondig voor, pluist archieven uit, bezoekt verre locaties, werkt aan een doorwrocht plan. Ze levert een gaaf product af dat ze achteraf enthousiast promoot. En ze is geëngageerd. In Literatuur en de rafelranden… zegt ze: ‘Ik heb de pretentie om vergeten figuren, zoals De tekenaar van het Verzet⇲ uit de rafelranden van de geschiedenis te vissen, omdat ik hoop dat ze een bron van inspiratie vormen voor wie zich nog inzet voor een wereld waarin iedereen meetelt.’
Een boek van Vervarcke staat niet op zichzelf. Het zoekt zijn weg naar een geleide wandeling, naar het klaslokaal en naar het toneel. Bij dat toneel betrekt Vervarcke haar leerlingen. Bij de wandeling betrekt ze haar toneel. Met De Dakbroeders nodigt ze auteurs uit voor een debat over literatuur: ‘(…) uitgangspunt vormt de populariteit van collaboratieliteratuur tegenover de moeizame strijd van de verzetsverhalen. Dit breiden we uit naar andere genres: de aantrekkingskracht van vunzige moorden, ontrouwridders of landveroveraars. Waarom eren we het junkieverdriet van Jotie 't Hooft op koffiekopjes, kussenslopen en posters en zijn we dichter-verzetsstrijder Kamiel Top vergeten?’
Al wat hierboven staat, vind je ook weer in (en om) Het alsjeblieftmeisje, doorbraakroman van Kathelijn Vervarcke. Zeventien hoofdstukken, onderverdeeld in drie delen. In het openingsdeel en in het slot verneem je van alwetende verteller Vervarcke hoe het protagoniste Julie Catrysse na de oorlog vergaat. Blijkt dat de liefde overwint, want zo wil de auteur het: ‘Ja, we leven in dystopische tijden en ik wil met mijn liefdesromans een antigifcentrum vormen. De kenner van mijn oeuvre weet dat al mijn boeken in de diepte liefdesromans zijn. Liefde is sterker dan haat, dat is de centrale boodschap in al mijn boeken en toneelstukken.’ Daar tegenover staat het middendeel waarin Julie zelf aan ’t woord is. Dat deel verhaalt het leven zoals het voor Julie is, kind op de Oostendse Vuurtorenwijk; ze vertelt hoe ze tijdens de Eerste Wereldoorlog om den brode in de prostitutie terechtkomt. Ze is vijftien, zestien jaar, krijgt kroost, krijgt syfilis… Dat oorlogsleven stopt op het moment dat Vervarcke de mooie openingszinnen van het boek neerpent: ‘Het was al na middernacht toen de Duitse soldaten ons samen met het laatste geplunderde vee naar het station dreven. Wij, meisjes van de Oosteroever stapten zwijgend tussen de dorre uiers die geen enkele belofte van melk meer in zich droegen.’ Julie Catrysse gaat mee met het terugtrekkende Duitse leger, en zo doen het ook vele tientallen, zelfs honderden andere vrouwen.
Uiteraard lees ik zo’n verhaal ook met mijn eigen, schuivende opvattingen over literatuur, wat mijn kritiek kadert en relativeert. Vervarcke is, vind ik, te belerend. Ze wil, zoals ze zelf zegt, tonen hoe de liefde overwint, ze wil onderwijzen. Teveel lees ik dat boek als een geheel van weetjes, opgespoorde feiten en bezochte plekken waarrond de auteur een verhaal drapeert. Nadat ik Het alsjeblieftmeisje had dichtgeklapt, dacht ik meteen: het middendeel had volstaan. Dat deel is sterk genoeg als geheel. Het toont op overtuigende wijze echte mensen die ‘lijdend voorwerp’ van oorlog zijn. Een Duitse soldaat is het front meer dan beu en komt Julie om haar diensten vragen. Hij was: ‘(…) op zoek naar een syfilishoer om hem te besmetten. (…) De extra inkomsten waren meer dan welkom (…)’ Dat zegt genoeg. À la guerre comme à la guerre.
Flor Vandekerckhove⇲
Een boek van Vervarcke staat niet op zichzelf. Het zoekt zijn weg naar een geleide wandeling, naar het klaslokaal en naar het toneel. Bij dat toneel betrekt Vervarcke haar leerlingen. Bij de wandeling betrekt ze haar toneel. Met De Dakbroeders nodigt ze auteurs uit voor een debat over literatuur: ‘(…) uitgangspunt vormt de populariteit van collaboratieliteratuur tegenover de moeizame strijd van de verzetsverhalen. Dit breiden we uit naar andere genres: de aantrekkingskracht van vunzige moorden, ontrouwridders of landveroveraars. Waarom eren we het junkieverdriet van Jotie 't Hooft op koffiekopjes, kussenslopen en posters en zijn we dichter-verzetsstrijder Kamiel Top vergeten?’
Al wat hierboven staat, vind je ook weer in (en om) Het alsjeblieftmeisje, doorbraakroman van Kathelijn Vervarcke. Zeventien hoofdstukken, onderverdeeld in drie delen. In het openingsdeel en in het slot verneem je van alwetende verteller Vervarcke hoe het protagoniste Julie Catrysse na de oorlog vergaat. Blijkt dat de liefde overwint, want zo wil de auteur het: ‘Ja, we leven in dystopische tijden en ik wil met mijn liefdesromans een antigifcentrum vormen. De kenner van mijn oeuvre weet dat al mijn boeken in de diepte liefdesromans zijn. Liefde is sterker dan haat, dat is de centrale boodschap in al mijn boeken en toneelstukken.’ Daar tegenover staat het middendeel waarin Julie zelf aan ’t woord is. Dat deel verhaalt het leven zoals het voor Julie is, kind op de Oostendse Vuurtorenwijk; ze vertelt hoe ze tijdens de Eerste Wereldoorlog om den brode in de prostitutie terechtkomt. Ze is vijftien, zestien jaar, krijgt kroost, krijgt syfilis… Dat oorlogsleven stopt op het moment dat Vervarcke de mooie openingszinnen van het boek neerpent: ‘Het was al na middernacht toen de Duitse soldaten ons samen met het laatste geplunderde vee naar het station dreven. Wij, meisjes van de Oosteroever stapten zwijgend tussen de dorre uiers die geen enkele belofte van melk meer in zich droegen.’ Julie Catrysse gaat mee met het terugtrekkende Duitse leger, en zo doen het ook vele tientallen, zelfs honderden andere vrouwen.
Uiteraard lees ik zo’n verhaal ook met mijn eigen, schuivende opvattingen over literatuur, wat mijn kritiek kadert en relativeert. Vervarcke is, vind ik, te belerend. Ze wil, zoals ze zelf zegt, tonen hoe de liefde overwint, ze wil onderwijzen. Teveel lees ik dat boek als een geheel van weetjes, opgespoorde feiten en bezochte plekken waarrond de auteur een verhaal drapeert. Nadat ik Het alsjeblieftmeisje had dichtgeklapt, dacht ik meteen: het middendeel had volstaan. Dat deel is sterk genoeg als geheel. Het toont op overtuigende wijze echte mensen die ‘lijdend voorwerp’ van oorlog zijn. Een Duitse soldaat is het front meer dan beu en komt Julie om haar diensten vragen. Hij was: ‘(…) op zoek naar een syfilishoer om hem te besmetten. (…) De extra inkomsten waren meer dan welkom (…)’ Dat zegt genoeg. À la guerre comme à la guerre.
Flor Vandekerckhove⇲
Kathelijn Vervarcke. Het alsjeblieftmeisje. 2025. Uitgeverij Lannoo. 242 p.