maandag 9 maart 2026

De doorbraak van Kathelijn Vervarcke


KATHELIJN VERVARCKE gunt hobbyisme geen kans. Ze bereidt een boek grondig voor, pluist archieven uit, bezoekt verre locaties, werkt aan een doorwrocht plan. Ze levert een gaaf product af dat ze achteraf enthousiast promoot. En ze is geëngageerd. In Literatuur en de rafelranden… zegt ze: ‘Ik heb de pretentie om vergeten figuren, zoals De tekenaar van het Verzet uit de rafelranden van de geschiedenis te vissen, omdat ik hoop dat ze een bron van inspiratie vormen voor wie zich nog inzet voor een wereld waarin iedereen meetelt.’ 
Een boek van Vervarcke staat niet op zichzelf. Het zoekt zijn weg naar een geleide wandeling, naar het klaslokaal en naar het toneel. Bij dat toneel betrekt Vervarcke haar leerlingen. Bij de wandeling betrekt ze haar toneel. Met De Dakbroeders nodigt ze auteurs uit voor een debat over literatuur: ‘(…) uitgangspunt vormt de populariteit van collaboratieliteratuur tegenover de moeizame strijd van de verzetsverhalen. Dit breiden we uit naar andere genres: de aantrekkingskracht van vunzige moorden, ontrouwridders of landveroveraars. Waarom eren we het junkieverdriet van Jotie 't Hooft op koffiekopjes, kussenslopen en posters en zijn we dichter-verzetsstrijder Kamiel Top vergeten?’ 
Al wat hierboven staat, vind je ook weer in (en om) Het alsjeblieftmeisje, doorbraakroman van Kathelijn Vervarcke. Zeventien hoofdstukken, onderverdeeld in drie delen. In het openingsdeel en in het slot verneem je van alwetende verteller Vervarcke hoe het protagoniste Julie Catrysse na de oorlog vergaat. Blijkt dat de liefde overwint, want zo wil de auteur het: ‘Ja, we leven in dystopische tijden en ik wil met mijn liefdesromans een antigifcentrum vormen. De kenner van mijn oeuvre weet dat al mijn boeken in de diepte liefdesromans zijn. Liefde is sterker dan haat, dat is de centrale boodschap in al mijn boeken en toneelstukken.’ Daar tegenover staat het middendeel waarin Julie zelf aan ’t woord is. Dat deel verhaalt het leven zoals het voor Julie is, kind op de Oostendse Vuurtorenwijk; ze vertelt hoe ze tijdens de Eerste Wereldoorlog om den brode in de prostitutie terechtkomt. Ze is vijftien, zestien jaar, krijgt kroost, krijgt syfilis… Dat oorlogsleven stopt op het moment dat Vervarcke de mooie openingszinnen van het boek neerpent: ‘Het was al na middernacht toen de Duitse soldaten ons samen met het laatste geplunderde vee naar het station dreven. Wij, meisjes van de Oosteroever stapten zwijgend tussen de dorre uiers die geen enkele belofte van melk meer in zich droegen.’ Julie Catrysse gaat mee met het terugtrekkende Duitse leger, en zo doen het ook vele tientallen, zelfs honderden andere vrouwen. 
Uiteraard lees ik zo’n verhaal ook met mijn eigen, schuivende opvattingen over literatuur, wat mijn kritiek kadert en relativeert. Vervarcke is, vind ik, te belerend. Ze wil, zoals ze zelf zegt, tonen hoe de liefde overwint, ze wil onderwijzen. Teveel lees ik dat boek als een geheel van weetjes, opgespoorde feiten en bezochte plekken waarrond de auteur een verhaal drapeert. Nadat ik Het alsjeblieftmeisje had dichtgeklapt, dacht ik meteen: het middendeel had volstaan. Dat deel is sterk genoeg als geheel. Het toont op overtuigende wijze echte mensen die ‘lijdend voorwerp’ van oorlog zijn. Een Duitse soldaat is het front meer dan beu en komt Julie om haar diensten vragen. Hij was: ‘(…) op zoek naar een syfilishoer om hem te besmetten. (…) De extra inkomsten waren meer dan welkom (…)’ Dat zegt genoeg. À la guerre comme à la guerre.
Flor Vandekerckhove

Kathelijn Vervarcke. Het alsjeblieftmeisje. 2025. Uitgeverij Lannoo. 242 p.

zondag 8 maart 2026

Hoe is ’t om veertien jaar te zijn?



EEN VAN MIJN kleindochters verjaart vandaag, Lou (°2012) wordt veertien. Ik probeer het me weer voor te stellen: hoe was het voor mij om veertien jaar te zijn? Het lukt me niet zo goed. Ik ga op zoek naar een foto van mezelf in 1963, jaar waarin ik veertien was. Er bestaat zo’n foto van mij op ’t strand. Ik sta aan de rand van een bevroren zee, ijs zover je kijken kunt, want in 1963 maakten we onze koudste winter ooit mee. Die foto vind ik helaas niet weer. Er is nog een foto. Daarop zit ik als veertienjarige op de fiets. Wazig beeld, daar kan ik hier niets mee aanvangen.
Veertienjarigen? Op ’t net vind ik een foto van op straat voetballende knapen. Die jongens zijn nog geen veertien. Wat denk je, Lou, die slungel aan de bal, is die al veertien jaar? Zagen veertienjarigen er in mijn tijd jonger uit dan nu? Ik vind ook zo’n straatbeeld met meisjes. Wat denk je, Lou, dat meisje dat daar de show steelt, is zij veertien? Feit: beide foto’s dateren uit een tijd waarin kinderen als ik de straat opzochten. Wij, veertienjarigen, waren straatlopers. Die zie ik hier nu niet meer. En ’s zondags droegen we 
zondagse kleren. Daar kon je op straat echt niets mee aanvangen, dat weet ik nog goed.

zaterdag 7 maart 2026

Wat een mens!

Conrad Detrez in 1981. (Foto Claude Truong-Ngoc) 

WAT EEN LEVEN! Wat een mens! Wat een tijd! Toen Conrad Detrez (°1937 - 1985†) stierf, was hij niet eens achtenveertig geworden. Maar welk hallucinant leven had hij al niet geleid! Zoon van een Franstalige beenhouwer in een dorpje dat toen nog Limburgs was en later aan Wallonië gehecht werd; seminarist die net op tijd aan het priesterschap kon ontsnappen; lekenhelper in de sloppenwijken van Rio; gezochte guerrillero die een schijnexecutie moest ondergaan; bevriend met Régis Debray; journalist voor o.m. Le Monde; verkerend in de 'betere kringen' van Parijs; eindigend als Frans diplomaat in Nicaragua ten tijde van de sandinisten. 
Peter Daerden schreef de biografie van deze mens, boek dat tegelijk de geschiedenis weergeeft van een recente, maar wel afgesloten tijd. (°) In de biografie — een der beste die ik in dat genre ooit gelezen heb — heet Conrad Detrez: ‘(…) een volhardend restant van een uitdovende, aan belang verliezende generatie.’ Als ik zijn leven met een politieke term mag samenvatten: een tiermondist
Zijn tijd overlapt gedeeltelijk de onze en ik herken in het boek veel van wat ons toen ook begeesterde: namen van Latijns-Amerikaanse revolutionairen, organisaties die toentertijd school maakten, termen als ‘guevarisme’ en ‘foquismo’… Detrez had er de korte bloeitijd van beleefd.
Schrijver was hij ook. L’Herbe à brûler (1977) was een internationale bestseller en Detrez won er in 1978 de prestigieuze Prix Renaudot mee. Het boek werd in ’t Nederlands vertaald als Dor gras, ik heb het nooit gelezen, probeer het te vinden. Amazon heeft Dor gras niet liggen, De Slegte evenmin. Openbare Bib Oostende: noppes. De tijd van Conrad Detrez is duidelijk voorbij.
Flor Vandekerckhove

(°) Peter Daerden: Revolutie in Rio. Conrad Detrez tussen God en guerrilla, samba en saudade, TZARA, Antwerpen 2023, 408 p.

vrijdag 6 maart 2026

Aan mij kleeft een restant van reputatie

Vertellend het publiek opzwepen (been there, done that.)

HET GROOT KOOR van KleinVerhaal viert in juni de release van een plaat met zelfgeschreven en zelf gecomponeerde vissers-liederen. Ze zoeken iemand die het publiek die avond vooraf opzweept — zo staat het er letterlijk — en komen daarvoor bij mij terecht. ’t Is waar dat ik dat kan, een publiek opzwepen, ik heb het vroeger menig keer gedaan. Dat er terzake nog een zweem van reputatie aan mij kleeft, wist ik echter niet. 
Omdat het gebeuren in Oostduinkerke doorgaat, plek die ik vooral omwille van Jan Loones genegen ben, neigde ik op hun bede in te gaan, maar Tania raadt het me af. Ze weet hoe ik ineen zit en daardoor moet ik haar gelijk geven, dus beslis ik om het toch niet te doen. (Zo heeft ze me ook afgeraden nog langer daken te beklimmen, waardoor ik inmiddels mijn huisje in Frankrijk verkocht heb.)
Daarbij komt dat ik een solitaire vorm van schrijverschap nastreef. Een schrijver als ik blijft in zijn kot. Ik ga nergens heen, al wat ik moet doen is goed (leren) schrijven. Ik sta daar niet alleen in. (°) Ook dichter Michel Bartosik (°1948 - 2008†) nochtans intens participerend aan het jolige genootschap Pink Poets, is die mening toegedaan: ‘Bartosik is de enige van de Pink Poets die zijn lidmaatschap achteraf betreurde (…). Literatuur werkt volgens hem niet in groep: “Een schrijver moet begrijpen dat hij alleen is”.’ (°°) Ook de Amerikaan Russell Edson is 'onze' mening toegedaan: ‘Omdat ik een beetje een kluizenaar ben, heb ik mezelf nooit als marginaal of mainstream beschouwd, ik ben gewoon blij dat ik schrijf. (…) In plaats van te socialiseren kweek ik liever paddenstoelen in de grot van mijn gedachten en communiceer met vleermuizen die in mijn gepersonaliseerde klokkentoren wonen.’ (°°°) Hebben we gelijk, Edson, Bartosik en ik? Ja en neen, want ook dit zegt Russell Edson: ‘Helaas is poëzie nu een sociale club. Je moet niet alleen schrijven, je moet ook een sociaal wezen zijn. Het sociale deel is waarschijnlijk het belangrijkste. Wie een prettig persoon is, hoeft zelfs niet echt goed te schrijven om een schrijfcarrière te hebben.’ Maar goed, een prettig persoon ben ik niet en ik moet, onprettig als ik ben, me niet prettig willen voordoen, dat levert alleen maar stress op. Tania heeft dat goed gezien.
Flor Vandekerckhove

(°) ’t Is bijvoorbeeld ook onderwerp van debat tussen Henry Miller en George Orwell
(°°) Geciteerd in de biografie van Patrick Conrad, op p. 234. (Uit een interview met Bartosik in Van de Plas. ‘Een Antwerps artistiek genootschap: schijn en werkelijkheid’, p.95-102.)
(°°°) Mark Tursi in An Interview with Russell Edson

Velerlei maquis is een essay waarin een periode uit het het werk van Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan belicht wordt, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en zeg welke versie je verkiest, pdf of epub.)


donderdag 5 maart 2026

Een droom, naverteld in exact honderd woorden (Scheepswerf Beliard)

Johnny Verplancke fotografeert al dan niet geklasseerd erfgoed in de staat waarin het zich bevindt. Zijn indrukwekkende collectie (bijna 4000 foto’s) staat hier op flickr. In 2012 maakte hij een reeks foto’s over de restanten van Scheepswerf Beliard in Oostende. 


Droom 39. — AAN DE ACHTERKANT had ik een hoge muur beklommen, klimpartij die ik destijds, toen ik nog onverschrokken was, menig keer gedaan had, en was zo, dank zij deze waaghalzerij, binnengeraakt, wat me deze keer, wegens mijn inmiddels bereikte hoge leeftijd, gevaarlijker dan vroeger leek, in die mate zelfs dat ik langs diezelfde muur niet meer naar beneden durfde en in het gebouw op zoek ging naar een uitgang, waarbij ik onverwachts in een bewoond deel terechtkwam, waar iemand die ik dacht te kennen, maar niet thuis kon wijzen, me een sleutel gaf en ik via een verdoken zijdeur buiten kon. (Flor Vandekerckhove)

In 1991 publiceerde uitgeverij Manga De smaak van zeewater, 172 bladzijden met verhalen die zich op de Oostendse Baelskaai afspelen. Dat boek is uiteraard al lang niet meer in de handel verkrijgbaar, wel kan het nog ontleend worden in de Oostendse openbare bibliotheek. Het boek verzamelt verhalen die kort zijn, maar toch nog veel langer dan de handpalmverhalen waarin ik me sinds 2014 specialiseer. Een aantal van die kaaiverhalen uit 1991 nam ik weer ter hand, herwerkte ze tot smoke-long stories, verhalen die helemaal gelezen zijn tegen de tijd dat je de peuk uitduwt, een plastische maar ongezonde omschrijving. Een ervan — over de kaaihoer die ik in 1989 leerde kennen — staat in Op de Oosteroever zijn de zeden niet veranderd; een ander — over een aankoop in De kurkenzak — staat in Over een tijd die nooit meer terugkomt. Een derde, over smederij Schockaert, heet Over mijn extreem korte carrière als scheepssmid. Een vierde heet Dansen in ’t Veegeetje. 

dinsdag 3 maart 2026

In een lange zin van exact honderd woorden, denkend aan de derde slager

Twee beenhouwerijen in Duinenstraat Bredene. Links de slagerij op de hoek van Duinenstraat en Prins Karellaan (Ik ben de naam van de beenhouwer vergeten, Stroobant? Het huis bestaat nog en staat momenteel te koop.) Rechts: beenhouwerij die in mijn kindertijd uitgebaat werd door Fernand Minne en zijn echtgenote Annoot. (Het huis bestaat niet meer. In de nieuwbouw bevindt zich nu op de benedenverdieping voedingswinkel P&P.)

SOMS, MEESTAL ROND vijf uur ’s ochtends, soms iets vroeger, soms iets later, wijl ik de slaap niet vatten kan en in volslagen duisternis naar ’t slaapkamerplafond lig te staren, ogen wijdopen, denk ik, met wild kloppend hart, na over de niet op te lossen vraag hoe het me zou vergaan zijn, mocht ik, zoals Onze Marcel dat ook wel wilde, beenhouwer-spekslager geworden zijn, een eerstgeborene die, na gedane studies in de slagersschool van Anderlecht, het heft (van het kapmes) ter hand neemt en de kiekenwinkel op kordate en spitsvondige wijze uitbouwt tot de derde slagerswinkel van de Duinenstraat. (Flor Vandekerckhove)

De papieren versie van de roman (2012) is al lang uitverkocht, maar uitgeverij De Lachende Visch stelt u ter vervanging de digitale AMANDINE voor, ‘de paint it black-editie’, zo genoemd omdat de illustraties uit de oorspronkelijke publicatie ontbreken en ook omdat de song met die naam een rol in het boek speelt. 33 hoofdstukken, 231 bladzijden, meer dan 63.000 woorden. AMANDINE vertelt het epos van de Oostendse visserij en hoe die geschiedenis het leven van de ik-figuur tot vandaag tekent. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook AMANDINE gratis. Schrijf naar liefkemores@telenet.be(vermeld de titel, zeg of je epub of pdf wenst) en De Weggeefwinkel stuurt het boek meteen naar uw mailbox.

maandag 2 maart 2026

Leren schrijven met… Patrick Conrad

Pink Poets, vlnr: Albert Szukalski pp, Michel Bartosik pp, Robert Lowet pp, Huges C. Pernath pp, Henri-Floris Jespers pp, Georges Adé pp, Paul de Vree pp, PATRICK CONRAD pp, Nic van Bruggen pp en Werner Spillemaeckers pp. (De afkorting pp na de naam wijst op formeel lidmaatschap. Foto van een Facebookpagina, ik zie daar geen naam van de fotograaf.) Wiksage zegt over Pink Poets: Toen Patrick Conrad en dichter Nic van Bruggen op 22 november 1972 het intellectueel genootschap Pink Poets in Antwerpen oprichtten was dit een manifest tegen het realisme, dat Gentse dichters rond tijdschrift Yang voorstonden.’ De stichtingsdatum, zegt Conrad-biograaf Manu van der Aa, is onzeker. (°)


PATRICK CONRAD (°1945) IS nog een jonge kerel wanneer hij op 28 maart 1969 in Nijmegen een lezing geeft. Daarin zegt hij ook hoe zijn teksten ontstaan. Ik citeer uit zijn biografie. (°)
‘Het eerste stadium van een tekst is de notatie. Niet weten waarheen men gaat, waar men staat. Dit gaat gepaard met een zeer grote en intense melancholie […] Gewoon noteren dus, wat men ziet, hoort, ruikt, tast, op straat, in stations, in bed […] in kroegen en latrines… ofwel, de onbegrijpelijke, gedicteerde aforismen neerpennen, zonder zich af te vragen van waar ze komen en hoe ze uiteindelijk in je hoofd terecht komen. […] Het eigenaardige is, dat men tijdens een bepaalde periode ervaringen en getuigenissen noteert die ergens met elkaar in verband staan, en die reeds in dit primaire stadium van de tekst, de toon of zelfs het onderwerp van het gedicht bepalen.'
De dichters van De Nieuwe Stijl en Gard Sivik komen niet verder dan dit stadium, zegt Conrad. Bij hem volgt er een tweede stadium:
‘Het ordenen, het schikken, het versmelten van al deze gegevens. De dichter wordt vakman, trekt zijn kiel aan, wast zijn handen, knipt zijn nagels en betreedt zijn atelier. In de inspiratie gelooft hij op dat ogenblik niet meer, nu volgt berekende arbeid, die op sommige passages nog sterk onder de invloed van zijn fantasie komt te staan. De structuur van het gedicht wordt duidelijker, het ruwe materiaal wordt gekneed, gemalen, gestreeld of verworpen. En dit tot de tekst af is, hetgeen men duidelijk voelt aan de plotse afstand die ontstaat tussen schrijver en werk.’
Iemand die pas op late leeftijd begint te schrijven, als ik, kan niet anders dan onder de indruk komen van deze jongeman, eerstens omwille van de vastberadenheid die uit die woorden spreekt, tweedens van de eenvoud waarmee hij zijn poëtica verwoordt, eenvoud die overigens sterk contrasteert met het maniërisme van zijn eerste gedichten. De eenvoud doet zelfs denken aan punk: ‘This is a chord. This is another. This is a third. Now form a band.’ Eenvoud & daadkracht. Aan de slag! 
’t Is ook merkwaardig dat Conrad al op zo’n jonge leeftijd door het literaire veld erkend wordt. In 1969 mag hij al de Arkprijs voor het Vrije Woord op zijn palmares zetten. Hij is 24: ‘In 1969 prijkten op de Ark al de namen van onder meer Hugo Claus (1952), Ivo Michiels (1958), Huges C. Pernath (1961), Paul Snoek (1963) en Jef Geeraerts (1967). Na Claus, die slechts 23 was toen hij de prijs kreeg, was Conrad met zijn 24 jaar de op een na jongste laureaat.’  Termen die in die tijd over zijn werk vallen: dandyesk, maniërisme, fin-de-siècle, decadentie, gebrek aan sociale gerichtheid…
Patrick Conrad is in die jaren nog aan ’t studeren, maar in de praktijk komt daar niets van in huis. Het verhaal van zijn studies laat me denken aan Claude Chabrol die aan de unief vier keer het eerste jaar doet en dan nog geen idee heeft waarover de examenvragen gaan, wel ziet hij in die vier jaar massa’s film. 
In mei 1971 begint Conrad aan zijn legerdienst. Ik haal het val dood-plaatje van de muur, de metalen borsthanger die elke soldaat in oorlogstijd dient te dragen, herinnering aan mijn eigen militaire dienst. Ik lees de cijfers: ‘BELGISCH LEGER 71/58921’ Die 71 slaat op het jaar waarin ik opgeroepen word. Enkele maanden na Conrad ga ook ik het land verdedigen. Conrad maakt dan al naam als dichter, als tekenaar ook en hij heeft al zijn eerste stappen in de film gezet. Ik daarentegen weet in die tijd van van toeten noch blazen.
(°) Manu van der Aa. Patrick Conrad. Leven, liefdes en werken van een Pink Poet. biografie. 2025. Uitg. Pelckmans. 336 p. U weet hoe ’t gaat wanneer ik in een biografie ga sprokkelen. Het geeft aanleiding tot een aantal blogposts. In de maak is een post over ‘Het eerste Artiestenwielercriterium in Opdorp’, 11 september 1971. Intussen maak ik ook al een label aan: Patrick Conrad.

zondag 1 maart 2026

Langdurig werklozen hebben Guy Debord aan hun kant

Postkaart. 1963. getekend L. Buffier. De graffiti op een muur van de rue de Seine in Parijs is van Guy Debord (1953).

IN DE MAATSCHAPPIJ waarin we leven, zegt Guy Debord (°1931 - 1994†), is loonarbeid een bron van vervreemding. Debord kalkt het in 1953 op een straatmuur in Parijs: NE TRAVAILLEZ JAMAIS. Hij schudt die woorden niet uit zijn mouw. Ze zijn een omkering van Rimbauds ‘Jamais je ne travaillerai…’ Dat staat in diens prozagedicht Vierge Folle
Wat volgt is een probleem van copyright. We zouden de graffiti op de muur van de rue de Seine nooit gekend hebben, ware het niet dat Louis Buffier de woorden fotografeert en zijn foto tien jaar later als postkaart verspreidt, er de humoristisch bedoelde opmerking aan toevoegend: ‘Les conseils superflux’ ('overbodig advies').  In 1963 print de Situationistische Internationale de postkaart af, althans het deel met de tekst van Debord. De beroepsorganisatie van uitgevers meent dat het tijdschrift daarmee het copyright van Buffier schendt en vraagt geld voor het gebruik van de foto. Debord kan er niet om lachen en zet de dingen op cynische wijze weer recht: ‘Om tot de kern van deze kwestie van artistiek eigendom te komen, wil ik u verzekeren dat ik geenszins een deel van de opbrengst van de verkoop van deze ansichtkaart of een schadevergoeding voor de ongeoorloofde reproductie ervan wil eisen.’ 
Zo ging het eraan toe in ’t midden van de vorige eeuw. Inmiddels heeft de straatkunst een hoge vlucht genomen en de toe-eigening ervan nog meer. Bansky — ‘auteursrecht is voor losers'— is expliciet: ‘Bent u een bedrijf dat Banksy-kunst wil gebruiken voor commerciële doeleinden? Dan bent u hier aan het juiste adres – dat kan niet. Alleen Pest Control Office heeft toestemming om mijn kunstwerken te gebruiken of in licentie te geven. Als iemand anders u toestemming heeft gegeven, heeft u geen toestemming. Ik schreef “auteursrecht is voor losers” in mijn (auteursrechtelijk beschermde) boek (°) en moedig iedereen nog steeds aan om mijn kunst te gebruiken en aan te passen voor eigen vermaak, maar niet voor winst (…)’ Het belet niet dat Bansky, net als Guy Debord, een postkaartkwestie aan zijn broek heeft. Dat hij daarin voor de rechtbank gelijk zou halen, lag niet voor de hand, maar voorlopig ziet het er goed uit: ‘Saying Banksy wrote “copyright is for losers” in his book doesn’t give you free rein to misrepresent the artist and commit fraud. We checked.
Ik keer terug naar de woorden van Debord. Nu langdurig werklozen weer naar de arbeid gedreven worden, krijgt Debords slogan actuele betekenis. Ik ken wel enkele kunstenaars die door die nieuwe regeringsmaatregel getroffen worden. Misschien hebt gij daar ferme bedenkingen bij. Daarom voeg ik er deze interessante ervaring van Bronnie Ware aan toe. Deze verpleegster vroeg haar terminaal zieke patiënten naar hun grootste spijt. De op één na meest voorkomende was ‘spijt dat ik zo hard heb gewerkt’, voorafgegaan door ‘spijt dat ik niet de moed heb gehad om het leven te leiden dat ik wilde, in plaats van het leven dat van me verwacht werd.’ (°°)
Flor Vandekerckhove

(°) Bansky. Wall and Piece. 240 p. Ballantine Books. 2006. ‘A fully illustrated colour volume.’ 
(°°) Bonnie Ware. The Top Five Regrets of the Dying. Ik vind een Nederlandstalige titel die wellicht naar de vertaling van dat boek leidt: Als ik het leven mocht overdoen. Met als ondertitel: Een jonge vrouw op zoek naar vijf belangrijke levenslessen. De cover ziet er wollig uit, maar kopen hoeft niet, die vijf levenslessen staan ook opgelijst op haar website.

zaterdag 28 februari 2026

Een staaltje van onderkoelde passie

Er groeit iets tussen die twee, al lopen ze er niet mee te koop

ONDERHUIDS BROEIT PASSIE, maar dat is er niet aan te zien. Sarah loopt een promotie mis doordat ze een tekort aan killersinstinct zou hebben. James’ moeder wordt ziek, waardoor zijn verkoopcijfers ineen stuiken. Beiden aanvaarden ogenschijnlijk moeiteloos de kritiek die ze erom krijgen, maar er is een limiet aan wat mensen kunnen verdragen. Dat geldt voor de consumenten van de bank-verzekeringsmaatschappij, dat geldt ook voor de bedienden die er werken. Die limiet is nu bereikt. James hackt het computersysteem, waardoor het bedrijf enkele dagen later gegarandeerd de pineut wordt, Sarah ontdekt wat hij van plan is en eist geld. Om te beletten dat zij het plan lekt, sluit hij haar op. Dan komt de dag waarop James’ wraakplan slaagt. Hij laat Sarah gaan, verlost zijn moeder uit haar lijden en wanneer hij haar ten grave draagt, staat hij schijnbaar onbewogen bij het graf. Het regent. Sarah komt naast hem staan. James maakt plaats onder zijn paraplu. Zie ze daar staan, twee schijnbaar onbewogen broeihaarden van passie. We bevinden ons in Dublin en de Liffey stroomt voort. De dingen zijn wat ze zijn. Geen achtervolgingen, geen crashende auto’s, geen ophef, geen drank, geen coke… Zo kunnen ze in Amerika geen films maken. (Flor Vandekerckhove)

The Limit Of. 2018. Regie en scenario Alan Mulligan. Hoofdrollen voor Laurence O’Fuarain en Sarah Carroll. Ierland. Songs van Mick Flannery. 89 minuten. Te zien op Netflix. 

vrijdag 27 februari 2026

De vechtersclub in drie zinnen

In 1996 publiceerde Chuck Palahniuk zijn ‘Fight Club’, een scherp verhaal over mannelijke vervreemding. Regisseur David Fincher bewerkte het verhaal voor het witte doek. De film ging in september 1999 in première. Mij inspireerde het vandaag tot een driezinnenverhaal.


Vechten — De ene zei dat hij al voor minder gevochten had. De andere zei uitdagend dat die ene dan ook al voor minder zo’n gevecht verloren had. Ik daarentegen zag er meteen dit driezinnenverhaal in. (Flor Vandekerckhove)

Vechten is een driezinnenverhaal. Zo’n verhalen zijn experimenten om het zo kort mogelijk te houden, uitgaand van 't vermoeden dat internetlezers scrollen, surfen & swipen en dat ik bijgevolg maar korte tijd heb om hen mijn literair werk te tonen. In plaats van daar meewarig over te doen, neem ik die realiteit ter harte. 
In het e-boekje 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS verzamel ik er zo 200. Het boekje heeft als bijkomende plus dat je elke titel kunt aanklikken, de hyperlink leidt je dan naar een video waarin het verhaal geïllustreerd wordt en te horen/zien valt, 200 YouTube-producties in totaal. EN DAT ALLES IN 1 BOEKJE ! Zoals alle digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch is ook 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS gratis. Mail erom en je bestelling wordt meteen ingepakt door de juffrouwen van De Weggeefwinkel. (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.