Marijke en Bernard zijn met de nog piepjonge Lena op bezoek bij meme, mijn moeder. Ook Bert - nonkel Bert voor Lena - zakt die dag naar Bredene af. Tijdens de koffie brengt Bert een motorschip ter sprake. Dat ligt aan de kant in de vaart, aan ’t Sas van Bredene, en is te koop. Telkens hij naar zee komt, zegt Bert, valt zijn oog op dat mooi vormgegeven schip. Ook Bernard heeft het vaartuig in ’t passeren opgemerkt. De twinkeling die ikzelf bij ’t aanschouwen van het brede, misschien wel twintig meter lange vaartuig telkens weer in d’ogen krijg, heb ik eerder bij Bert al opgemerkt en nu zie ik ‘t ook bij Bernard. ’t Is dan ook een schip om verliefd op te worden.
Terwijl Marijke de luier van Lena ververst en meme er haar zinnen probeert bij te houden, rij ik met Bert en Bernard naar de vaart. Daar staan wij nu op ’t dek van een bijzonder sierlijk gebouwd, houten vaartuig, drie mannen van verschillende leeftijden, alle drie met een twinkeling in d’ogen, zoon, schoonzoon, vader-schoonvader. Dat het schip daar al vele jaren te koop is blijven liggen, sterkt ons vermoeden dat we op de prijs kunnen afdingen. Dat het meer wrak dan schip is, weigeren we te zien. Dat het na al die jaren nauwelijks nog uit het slijk losgewrikt zal kunnen worden, lijkt ons niet meteen een probleem. Dat geen van ons drieën er ’t geld voor heeft, noch voor ’t kopen, noch voor de herstellingswerken, zelfs niet voor de keuring, is een gedachte die niet bij ons opkomt. Dat geen van ons weet wat met zo’n schip aan te vangen, is een zorg voor morgen. Ons is 't om die twinkeling te doen. Bernard begreep dat, Bert ook en ik al helemaal.
Flor Vandekerckhove⇲