maandag 21 juli 2014

Van de ene drank naar de andere

Paul Verlaine drinkt absint in het café François I (1892) —
De eerste auteursbiografie die ik ooit las beschreef 't leven van de Franse dichter Paul Verlaine. Het boek maakte grote indruk op me. Het werd, zo dacht ik nog te weten, geschreven door ene Michel Van Aerde, een naam die ik een halve eeuw lang had kunnen onthouden omdat er destijds een wielrenner was die ook zo heette.
Maar het geheugen is, zoals bekend, een slechte raadgever. Ik probeer het boek op het internet te traceren en die zoektocht leidt me niet naar Michel, maar naar Rogier van Aerde, die op Amazone.com zo’n boek te koop heeft staan: The Tormented, a Biographical Novel of Paul Verlaine. Dat zal het geweest zijn: geen biografie, maar een roman; niet geschreven door Michel, maar door Rogier. Vervolgens zie ik dat die Rogier een Nederlander is die het boek in 1956 gepubliceerd heeft als De arme bruiloftsgast. Levensroman van Paul-Marie Verlaine, dichter, minnaar, bohemien.
Ik was een puber toen ik dat boek las en voelde me daardoor erg verwant met Paul Verlaine die, zo fantaseerde ik, perfect mijn eigen gemoedstoestand verwoord had: Il pleure dans mon coeur / Comme il pleut sur la ville; / Quelle est cette langueur / Qui pénètre mon coeur. Ja, dat was het helemaal, 'k zal dat gedicht leren kennen hebben tijdens een periode waarin 't veel regende. Geïntrigeerd was ik ook door ’s mans drinkgewoonten. Verlaine was een absintdrinker, genieter van een drank waarvoor Gustave Flaubert ons verwittigde: ‘Absint: ultrasterk vergif. Eén glas en u bent dood. Journalisten drinken ervan als ze hun artikelen schrijven. Heeft meer soldaten gedood dan de bedoeïenen’. Die reputatie zorgde ervoor dat absint verboden werd, waardoor die drank des te meer tot mijn verbeelding ging spreken. Kijk maar, zei ik, Vincent van Gogh was een gebruiker, Ernest Hemingway eveneens, net zoals Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Guy de Maupassant, Éduard Manet en Oscar Wilde. Dat waren sterke argumenten, vond ik. Er waren er nog, maar dat wist ik toen gelukkig nog niet. Die leerde ik pas later kennen via Meindert Burger die er in 2005 een boek over publiceerde: De gifgroene muze. Absinth in de literatuur.
Je kunt ongetwijfeld een even mooie bloemlezing maken onder de titel Whisky in de literatuur of Wijn in de literatuur, want er is meer onder de alcoholische zon dan alleen absint. In The Thirsty Muse: Alcohol and the American Writer (1989) presenteert Tom Dardis een indrukwekkend lijstje van bekende Amerikaanse schrijvers die ook alcoholici waren: Sinclair Lewis, Eugene O’Neill, William Faulkner, Ernest Hemingway, John Steinbeck, Edward Arlington Robinson, Jack London, Edna St. Vincent Millay, F. Scott Fitzgerald, Hart Crane, Conrad Aiken, Thomas Wolfe, Dashiell Hammett, Dorothy Parker, Ring Lardner, Djuna Barnes, John O’Hara, James Gould Cozzens, Tennessee Williams, John Berryman, Carson McCullers, James Jones, John Cheever, Jean Stafford, Truman Capote, Raymond Carver, Robert Lowell en James Agee. Zo’n lijstjes kunnen moeiteloos aangevuld worden met namen van meer hedendaagse auteurs (bijvoorbeeld Charles Bukowski die u in zijn gewone doen kunt zien op ’t filmpje dat ik hieronder geplaatst heb. Ik verwittig u, de video is ontnuchterend) of met niet-Amerikaanse schrijvers (herinner u de tragische neergang van J.M.H. Berckmans…). Maar Hardi heeft het in zijn boek op vier Amerikaanse Nobelprijswinnaars gemunt. Hij volgt nauwlettend Faulkner, Fitzgerald, Hemingway en O’Neill op hun wankele weg die vooral langs de bar passeert. Iets soortgelijks doet Olivia Laing in het zopas in ’t Nederlands vertaalde Het uittapje naar Echo Spring.(*) Zij maakt een reis door Amerika langs de plekken waar bekende schrijvers hun mateloze dorst gelest hebben: Fitzgerald, Hemingway, Williams, Cheever, Berryman, Carver.
Al die schrijvers, al die drank, een mens zou er nog de verkeerde conclusies uit trekken: wie schrijft die drinkt! Maar dat is uiteraard onzin. Je kunt evengoed lange lijsten aanleggen van schrijvers die liever nuchter door ’t leven gaan. Auteurs drinken niet méér of niet anders dan wegenbouwers, bankbedienden en pastoors, ze schrijven er wel meer over, waardoor de literatuur een alcoholisch spoor achterlaat dat op den duur mythische proporties aanneemt, zelfs als dat beschrevene de vernietigende kracht van alcohol aantoont, zoals dat het geval is in Onder de vulkaan (1949) van Malcolm Lowry en in Het Verloren weekend (1944) van Charles Jackson, twee meesterwerken van en over zuipschuiten.
Flor Vandekerckhove

(*) Olivia Laing. Het uittapje naar Echo Spring. Waarom schrijvers drinken. 2014. A'dam. De bezige bij. 334 ps. € 24,80.




Een reactie plaatsen