zaterdag 26 juli 2014

Het paard van nonkel Miel

Alles wat niet verbrand kon worden, kwam in de grond terecht. Zo ging dat in een tijd waarin de mensen dachten dat iets niet meer bestond als je ’t aan het oog had weten te onttrekken. Weg is weg! Ecologisch mocht dat een zwaktebod zijn, van mij maakte het wel een schatjager. Ik moest maar een beetje graven en ik haalde iets boven. Ik herinner me een kurkentrekker, iets in leer, beenderen, een carburator, veel flessendoppen, haken, bouten, een echt wel bangelijk grote tand, een stuk ketting, scherven… Het pronkstuk had ik met een eetlepel uit de grond gepeuterd: een ronde, metalen holle bol met daarin een kogel. Wanneer je de bol schudde, botste de kogel tegen de metalen wand, wat het mooie, warme, bekende geluid van de paardenbel produceerde.
Trots had ik die vondst meteen aan mijn vader getoond die het me bevestigde. Ja, dat is een paardenbel en ja dat is ongetwijfeld de bel van het paard van nonkel Miel. Een historische vondst als het ware, want het paard van nonkel Miel was iets van lang geleden.
In die tijd overheersten de paarden het straatleven niet meer, maar ze waren er nog wel. De vuilnis werd met paard en kar opgehaald, de Fiorines reden per paard af en aan, Bobbejaan Schoepen deed dat jaarlijks ook een keer en boer Jerome Lagast deed het vrijwel dagelijks. Maar nonkel Miel, de peetoom van mijn vader, had al lang geen paard meer. Wat ervan restte was misschien wel die bangelijk grote tand, de paardenbel en de verhalen die over dat paard verteld werden.
Nonkel Miel dronk graag een pint. Zo werd dronkenschap in mijn familie destijds omschreven. Miel had dat gemeen met alle mannen uit mijn familie: ze dronken allemaal graag een pint. Van die mannen wist je wel wanneer ze thuis vertrokken, maar nooit wanneer ze daar zouden weerkeren. Zo vertrok regelmatig ook nonkel Miel, met paard en kar, naar dorpen als Westkerke, Zerkegem en Ichtegem om er kippen en konijnen aan te kopen die hij thuis in Bredene zou slachten om ze aan toeristen te slijten. Maar doordat hij graag een pint dronk, viel hij regelmatig op zijn kar in slaap. Over de manier waarop hij vervolgens thuis geraakte bestaan twee versies.
In de eerste versie wachtte zijn echtgenote, tante Eugenie, de dingen enige tijd af, misschien al zingend, zoals Rina Ketty: Le vent m'apporte / Des bruits lointains / Devant ma porte / J'écoute en vain / Hélas, plus rien / Plus rien ne vient. Waarna ze willens nillens de tocht naar pakweg Zerkegem aanvatte. Per fiets! Op haar oude velo reed en reed en reed ze tot wanneer ze ergens te lande, misschien wel nabij de veldkapel, paard en kar van haar echtgenoot ontwaarde. De fiets gooide ze met een forse armzwaai bij de vracht, alsmede bij de uitgetelde nonkel Miel. Vervolgens nam ze de teugels ter hand, zoals ze dat wellicht ook wel in ’t dagelijkse leven deed, en leidde heel dat merkwaardige zootje kordaat huiswaarts. In de tweede versie moest tante Eugenie die fietstocht niet aanvatten, want dat paard had de teugels niet nodig om huiswaarts te keren. Dat beest deed dat spontaan & vrijwillig, terwijl nonkel Miel op de kar zijn roes uitsliep.
De tweede versie oogt, vind ik, mooier dan de eerste, want die tweede toont ons een wereld waarin de dingen eenvoudig zijn, een wereld die vrij is van moordend verkeer, wegen waarop je met de ogen dicht kunt rijden, beesten waarop je blindelings kunt vertrouwen… De eerste versie oogt minder romantisch, maar ligt ongetwijfeld dichter bij de waarheid, want zo eenvoudig was de wereld in die tijd nu ook weer niet. En wat is Louise Brooks hieronder eigenlijk met dat halssnoer aan 't uitrichten?
Flor Vandekerckhove 


Een reactie plaatsen