vrijdag 18 juli 2014

Gered door de bel

Geloofwaardigheid, daar gaat het om. De lezer moet erin geloven, en deze keer zag het er niet naar uit dat ik daarin geslaagd was. Ik had het verhaal afgewerkt en was nu naar het onbevredigende resultaat aan ’t kijken. Dat verhaal ging over een man die onverhoeds een vrouw ontmoet, er meteen verliefd op wordt, halsoverkop met haar gaat samenwonen en in een regelrechte hel terechtkomt. En neen, dat verhaal was niet goed en ik probeerde uit te vissen hoe dat kwam. Aan de verhaallijn kon het niet liggen, want daarin zouden veel lezers ongetwijfeld hun eigen situatie herkennen. Of ze zouden iemand kennen die het meegemaakt had.
Het was een zeer kort verhaal, maar dat had me niet belet om er stilistische hoogstandjes in te verwerken. Naarmate de ruzies toenamen, nam ook de lengte van de gebruikte scheldwoorden toe; de korte perioden waarin het goed ging, vonden hun neerslag in korte zinnen. De steeds weerkerende ruzies zagen zich weerspiegeld in woordelijke herhalingen, steeds opnieuw, steeds opnieuw. Neen, aan de stijl kon het evenmin liggen. En de setting kon niet anders dan geloofwaardig zijn, want ik had het verhaal in Bredene gesitueerd, een gemeente die ik sinds mijn kindertijd ken, die ik goed weet te beschrijven en waar zo'n dingen gebeuren. De geschiedenis speelde zich af in de jaren tachtig, negentig, een tijd die ik al meermaals met succes beschreven had. Plaats, tijd, stijl, plot… dat zat allemaal goed. En toch voorvoelde ik dat het voor de lezer onaannemelijk zou zijn.
Het was… Ik herlas het verhaal en las er weer opnieuw. Er was iets met die vrouw. Die vrouw… Ze overtuigde niet, toch niet in dat verhaal. Alleen begreep ik niet waarom. Ze was aantrekkelijk, ze was zelfs uitermate sexy, en het was absoluut niet moeilijk om je voor te stellen dat je daar plotsklaps verliefd op werd. Ze was geen domme teenager, want ze was in 1939 geboren, en dus iemand die van wanten wist — ervaring zat — iemand die wist hoe ze een man aan de haak moest slaan. Dat zat allemaal wel goed, en toch… De lezer zou nooit geloven dat de ik-figuur met die vrouw lief en (vooral) leed gedeeld had. Ik herlas de passages waarin die twee met elkaar vrijden en moest toegeven dat het alleen maar op de lachspieren werkte — de ik-figuur en die vrouw? Neen! —  ik herlas de stukken waarin de vrouw in razernij haar nagels in ’s mans rug kerfde en ik zag alleen maar lezers die het verhaal aan de kant zouden leggen, wegens al te onwaarschijnlijk.
’t Is niet omdat je de vinger op de wonde legt dat die ook geheeld is. Ik zag wel dat die vrouw voor dat verhaal niet deugde, maar ik wist eerlijk gezegd niet hoe ik er een andere van kon maken. Ik piekerde me suf, liet er mijn middagdutje voor, maar geraakte er niet uit. Ja, zo dacht ik, soms lukt het en soms lukt ’t niet.
Uit die overpeinzingen werd ik weggerukt doordat de deurbel overging. Normaliter negeer ik die wanneer ik een verhaal aan ’t schrijven ben, maar nu was ik er blij om. Ik klapte de computer dicht, liep de trap af en stond oog in oog met een oudere vrouw waarop ik als bij toverslag verliefd werd. ‘Hi’, zei ze in een Engels met een vet Amerikaans accent, ‘I’m Tina Turner, may I come in?’ Ik wilde zeggen: ‘Zeer zeker mevrouw Turner,’ maar ik kreeg het niet gestameld. Ik hield de deur open, liet haar binnenkomen en wist meteen hoe ik mijn verhaal aannemelijk kon maken. Ik moest die naam zien kwijt te raken. Want Tina Turner? Aan mijn deur in Bredene?
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen