zondag 12 juli 2015

De hond van mijn leven

Bovenstaande foto is een still uit een super-8-film, vandaar de slechte kwaliteit. Sloeber ging graag op bezoek bij mijn ouders, die in Bredene woonden. Dan zat ze op schoot bij mijn vader, Marcel Vandekerckhove, door ons gemeenzaam pépé genoemd, en keek door het raam naar het straatgebeuren. Op dezelfde plek staat nu ook mijn zetel.  't Is overigens ook al lang mijn beurt om pépé genoemd te worden; een mens mag daar allemaal niet te veel over nadenken. (Het behang heb ik wel verwijderd.)

Je weet hoe ’t gaat: om de kinderen te plezieren haal je een hond in huis en het resultaat is dat je zelf heel de tijd met een beest achter je gat loopt. Ik overdrijf niet, de teef heeft me heel haar leven gevolgd. Daar bestond in die tijd een gezegde over: ‘Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men Flor & Sloeber tegen.’ Je hebt dat ongetwijfeld al gehoord. Ja, de hond heette Sloeber.
Sloeber was de vrucht van interraciaal geslachtsverkeer en op ’t gevaar af racistisch te klinken: daardoor was ze lelijk als de nacht. De kleine bovenkaak van papa, de grote onderkaak van mama, zo’n dingen. Daarom had ik haar ook uit dat nest gekozen, want ik was een linkse jongen en ik trok mijn politieke lijn door het tot in het dierenrijk. Ook daar nam ik het onverschrokken op voor de zieken, de zwakken en de misselijken (de uitdrukking is van wijlen Steve Stevaert.) Sloeber had het allemaal. En stinken deed ze ook. Ziekelijk was ze zeker, ze had epilepsie en moest daarom dagelijks een pil nemen, een kost die mijn ziekenkas niet dekte. Erger was dat ze ’t vertikte om die pil te slikken. Om haar te verschalken draaide ik er een stuk chocola rond. Dat stuk at ze op, maar de pil bleef achter. Dan kreeg ze een aanval. Ze haastte zich tot bij me, ten teken dat ’t weer zover was, ik zette er m’n voet op en liet haar schokken, sidderen, schudden, kwijlen en beven tot het over was. Waarna ze stinkend verder leefde, alsof er niets gebeurd was. Ze had ook luizen of vlooien of misschien wel beide, dan krabde ze haar rug open en dan bond de dokter een trechter rond haar nek. Ik kan je verzekeren dat het geen gezicht was, Sloeber en ik, on the road again, met die trechter rond haar kop. Ze was niet alleen ziekelijk, zwak en misselijk, ze was ook vals. Van zodra je haar de rug toekeerde pikte ze je voedsel, dat ze begroef, met het oog op de spreekwoordelijke magere jaren. Dat leidde tot gênante situaties, zoals die keer dat ik met veel moeite een vrouw in bed gekregen had die een bloedworst tussen de lakens aantrof. Dat valt niet uit te leggen, de vrouw ging, de teef bleef. Ik wil maar zeggen: we hebben ook wat afgelachen, zij het veelal achteraf. Maar soms was 't pure schoonheid, zoals die keer dat ik een nacht op ’t strand was blijven slapen — breek me de bek niet open. Toen ik bij ’t krieken van de dag mijn slaapzak opentrok en om me heen keek, zag ik Sloeber aan de laagwaterlijn sprinten, van de ene meeuw naar de andere, op een voor de rest leeg strand, een beeld dat ik nooit vergeet. En als ik dan toch een kwaliteit moet vermelden: ze kon zwemmen als een zeehond. Ze is eens uit het raampje van mijn rijdende auto gesprongen omdat er naast de weg een gracht liep. Een gracht vol modder. En blij dat ze was en stinken dat mijn auto daarna deed.
Op ’t einde was ze helemaal uitgeleefd, open kankerwonden, reuma, epilepsie, half blind… Dat kon niet blijven duren. Ik smeet een laatste keer haar stok in zee en nadat ze die teruggebracht had, trokken we naar de veearts die haar een spuitje gaf. Ze liet een ferme scheet en gaf de geest.
Flor Vandekerckhove

PS: Onderstaande foto kreeg ik inmiddels van Merel De Smet toegestuurd. De ranke mens met al dat haar ben ik, wat haast niet te geloven is, en de hond is Sloeber. 


Een reactie plaatsen