zondag 3 juli 2016

Veelschrijver

'Je moet dagelijks aantekeningen maken. Anders lossen de dagen op als rook, als een rossige luchtspiegeling.' (Konstantin Pauvtovski)

Het jaar is vandaag 620 dagen oud en ik heb al 435 stukjes in de blog gepost, dat is meer dan één per anderhalve dag. Mensen vinden dat veel, ik krijg er opmerkingen over, maar er valt niets tegen te ondernemen, dat is wat ik doe. Ik ben een veelschrijver.
Dat ritme is niet met deze blog ontstaan. De Laatste Vuurtorenwachter bestaat al sinds 1988. In Het Visserijblad is het de titel van een column.
Aan dat inmiddels teloorgegane blad lever ik niet alleen die column, maar ook het redactioneel. Ik schrijf er reportages voor en achtergrondverhalen. Ik publiceer, recenseer, breng verslag uit van het kaaileven en redigeer de teksten die anderen aanleveren. Op die manier wordt schrijven iets als eten en drinken. Dat tijdschrift is mijn leerschool in de veelschrijverij geweest. 
Vlak voor het blad ter perse gaat, valt een tekst weg. Dat gebeurt. Omdat het artikel door de gebeurtenissen achterhaald is. Of doordat een respondent op zijn woorden terugkomt. Of omdat je bronnen opeens en onverwachts onbetrouwbaar blijken te zijn. Daar sta je dan. De drukkers wachten. Er moet iets geleverd worden dat de leegte vult. Hier & nu! Dan leer je het wel.
Daar zijn straffe verhalen over te vertellen. Laat me je meenemen naar de tijd waarin Google niet bestaat en waarin QuarkXPressInDesign en zelfs PageMaker onbekende begrippen zijn.
Er valt een tekst weg. Ik heb niets liggen dat de ruimte vullen kan. Erger: er valt niets meer te melden dat het melden waard is. De drukkers wachten.
Ik besluit het gat met een boekbespreking te vullen. Terwijl de zetter van achter de Linotype toekijkt, bedenk ik de titel van een onbestaand boek. In de samenvatting heb ik het over een schip dat door een menselijke fout op de klippen loopt. De bemanning laat de reddingsboot zakken, de kapitein blijft achter.
Daarmee is, zo meldt de zetter me, het gat nog altijd niet helemaal gevuld.
Dus zien de mannen vanuit de reddingsboot hoe hun kapitein het klif beklimt. Dan valt de nacht. Het is berenkoud. ’s Nachts bevriest de zee. Overleeft de kapitein het?
Ik kijk naar de zetter. Er is nog ruimte, zegt hij, voor een lange paragraaf.
Daardoor komt het, en alleen daardoor, dat de kapitein blijft leven en dat hij er bij het krieken van de dag — en in de laatste zinnen van mijn recensie — in slaagt om over het ijs tot bij de reddingsboot te strompelen. Hij houdt er alleen een flinke verkoudheid aan over. Onderaan vermeld ik nog de uitgever, de winkelprijs en het aantal bladzijden dat het boek telt. Korte tijd later draaien de persen. Oef.
Tijdens de daaropvolgende week krijg ik een telefoontje van een bibliotheekbediende. Dat ze er niet in slaagt het boek aan te schaffen omdat de uitgever niet weet waarover ze het heeft.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen