zondag 24 juli 2016

Ik heb me dikwijls afgevraagd (Talkin’ bout my generation)

Onlangs heb ik de documentaire film gezien die Tom Schoepen over zijn vader Bobbejaan (1925-2010) gemaakt heeft, een beklijvend document. Zelden heb ik de ouderdom beter belicht gezien. De film geeft inzicht in wat ons uiteindelijk zelf te wachten staat: de wachtkamer van de dood.
De prent eindigt met Bobbejaan die zijn lied ‘Ik heb me dikwijls afgevraagd’ zingt. Een goed gekozen slot, want dat is wat een mens op de valreep van het leven doet: het voorbije in een soort slotakkoord bevragen. 
Waarna Bobbejaan cowboygewijze de horizon tegemoet rijdt. Samen met hem verdwijnt een hele generatie, met name die van mijn ouders, de vooroorlogse generatie, een generatie die zo anders was dan de mijne.

Zelf heb ik me dikwijls afgevraagd wie ik nu zou zijn mocht ik niet in 1969 twintig geworden zijn, maar pakweg in 1959. De materiële omstandigheden zouden anders geweest zijn. De kans is groot dat ik niet gestudeerd zou hebben. Ik zou beïnvloed zijn door andere gebeurtenissen. Ik zou deel uitmaken van wat men de stille generatie noemt, geboren tussen 1931 en '40, een generatie van gezagsgetrouwen. Mijn politieke opvattingen zouden anders zijn, mijn vriendschappen, mijn amoureuze relaties, mijn werk… Ik zou me anders gedragen hebben, andere boeken lezen of misschien wel géén, andere vakanties doorbrengen en mijn kinderen anders opgevoed hebben. Ik zou een compleet andere mens zijn.
Maar ik ben in 1959 geen twintig geworden. Ik ben geboren tussen 1941 en 1955, ik ben een telg van de trente glorieuses en maak deel uit van wat de protestgeneratie heet. Die generatie streeft, zo leert de sociologie ons, geen gezagsgetrouwheid na maar, integendeel, ongehoorzaamheid.
Helemaal in lijn met de kenmerken van die generatie heb ik het kapitalisme verworpen, het traditionele gezinsleven, het politieke establishment en het werken. De zaken waarover ik schrijf, de boeken die ik lees, zelfs de kleren die ik draag, de manier waarop ik naar de wereld kijk, het minieme pensioentje dat ik heb… Dat alles wortelt in die gezagsontrouwe generatie.
— De protestgeneratie, zij die geboren zijn tussen 1941 en 1955. —
Ook dat heb ik me dikwijls afgevraagd. Hoe komt het dat ik daarin zo ver gegaan ben en hoe komt het dat zoveel anderen die revolte nauwelijks beleefd hebben? 
Er is meer in het geding dan sociologie. Het hangt ook samen met het nest waarin je geworpen wordt, er zijn leerkrachten die je in deze of gene richting sturen, de ene mens reageert anders dan de andere, je kunt een zondagskind zijn of door pech achtervolgd worden, je kunt gefrustreerd uit het schoolleven komen… Er is ook psychologie mee gemoeid en biologie. En toeval, ook dat speelt een rol. Het is dus ingewikkeld.
Lang geleden heb ik hier een stukje over de Britse schrijver Graham Greene (1904-1991) geschreven. Hij is een telg van de vooroorlogse generatie (zij die vóór 1930 geboren zijn). Die generatie heet spaarzaam, berustend, gezagsgetrouw, bescheiden en sober te zijn. Maar Greene voldoet aan geen van die kenmerken. Hij is gezagsontrouw in de overtreffende trap, hij keert zich af van de normen en waarden van zijn familie en wordt… katholiek! Zij het een van een bijzondere soort. Huwelijkstrouw is aan hem niet besteed, hij drinkt meer dan goed voor hem is, is een notoir hoerenloper, stelt de onfeilbaarheid van de paus in vraag en consumeert ook graag opium. In Italië neukt hij zijn minnares in een kerk, achter het altaar.
Toch is die Greene van dezelfde lichting als mijn ouders waarin ik moeiteloos de kenmerken herken die de sociologie aan die vooroorlogse generatie toeschrijft.
Dan is er nog iets wat ik me, met betrekking tot mijn generatie, dikwijls afgevraagd heb. Waar zijn al die mensen eigenlijk naartoe?
— Johnny Van Doorn (1945-1991) a.k.a. Johnny de Selfkicker, was een dichter van de
protestgeneratie. Zijn optredens waren choquerend, zijn poëzie was contesterend. —
Er komt een moment in het leven waarop je de dingen anders gaat bekijken. Je wilt het wat kalmer aanpakken, het lijf vraagt rust, de kinderen vragen geld en aandacht, je wordt trager, het beroep slorpt je op. Veel van de gezagsontrouwe kenmerken van de protestgeneratie vervagen. De protestgeneratie wordt gaandeweg, ouder wordend, inderdaad onzichtbaar.
Daar bestaat een scheve uitleg voor die als volgt luidt: ‘Wie op z’n twintigste geen communist was, is nooit jong geweest. Wie dat op zijn veertigste nog altijd is, is nooit volwassen geworden.’ Over die uitdrukking heb ik hier eerder al een stukje geschreven. Daarin heb ik uitgevogeld dat ze alleenlijk gebruikt wordt door lieden die nooit communist geweest zijn, ook niet toen ze twintig waren. Daarom ook is het een verwerpelijk antwoord. Het dient alleen maar om mensen in de pas te laten lopen.
Kan ik iets in de plaats stellen? Misschien wel. Ook dat heb ik me dikwijls afgevraagd, daar bijvoorbeeld. Dit is wat Edwy Plenel in zijn boek Secrets de jeunesse erover zegt. Ook hij maakt deel uit van de protestgeneratie. De politieke keuze die hij gemaakt heeft is ook de mijne geweest. Nu maakt het trotskisme, zo zegt hij, voor altijd deel uit van zijn identiteit, als een geestesgesteldheid: Si j’avais à définir ce qui m’en reste, je me dirais volontiers trotskiste culturel, m’inventant une identité intermédiaire, bâtarde et métissée, qui déplaira aussi bien aux orthodoxes qu’aux postulats. Le trotskisme comme expérience et comme héritage fait à jamais partie de mon identité, non pas comme un programme ou un projet, mais comme un état d’esprit, une vieille critique faite de décalage et d’acuité, de défaites et de fidélités.’ [Ik krijg dat mooi vloeiende Frans niet goed vertaald. Mocht iemand me willen helpen…] ['Indien ik wat ervan overblijft zou moeten omschrijven zou ik me een culturele trotskist noemen. Hiermee zou ik een overgangsidentiteit uitvinden voor mezelf, een bastaard- en halfbloedidentiteit, die noch de orthodoxen noch de neofieten zou bevallen. Het trotskisme als ervaring en als erfenis maakt voor altijd deel uit van mijn identiteit, niet als een programma of als een project, maar als een geestestoestand van een oude criticus, met afstandelijkheid en scherpte, met nederlagen en trouw.' Danke Bert Herregods.]
U ziet het: net als Bobbejaan heb ik me de dingen dikwijls afgevraagd. En op ’t einde van de film zal ook ik de horizon tegemoet rijden, niet op een gevlekte schimmel, maar op mijn stalen ros. Ik zal het zonder gitaar of stetson moeten doen, maar ik ga wel met mijn Baskische baret zwaaien en mijn gezang zal u gelukkig bespaard blijven.
Flor Vandekerckhove

° Bobbejaan, een film van Benny Vandendriessche en Tom Schoepen. Meer op http://www.bobbejaanfilm.com/nl/home/

Een reactie posten