woensdag 21 januari 2026

George Orwell over een broodschrijver

Het standbeeld herdenkt het leven van George Orwell (echte naam Eric Blair, †21 januari 1950). Het staat vlak naast de ingang van het Londense hoofdkantoor van de BBC. Het beeld is met een hoogte van zo'n 2,5 meter, ‘larger than life’. De tekst op de muur naast het beeld: ‘Als vrijheid überhaupt iets betekent, dan betekent het het recht om mensen te vertellen wat ze niet willen horen.’

VANDAAG, 21 januari, is het 76 jaar geleden dat George Orwell overleden is. Hij is een van de zeldzame schrijvers die nooit uit de mode geraakt, net als de Franse Albert Camus trouwens. Ze hebben een en ander gemeen, Camus en Orwell: beiden zijn anticommunist, beiden zijn overtuigde socialisten. Camus noemt zichzelf een ‘radicale reformist, radicale socialist en liberale humanist.’ Het socialisme van Orwell is dan weer very British. Over beiden heb ik veel geschreven, over George Orwell verzamelt deze blog nu zestien posts. Om zijn overlijden te herdenken zoek ik iets wat ik nog niet eerder vertelde. Mijn oog valt op Confessions of a Book Reviewer, verschenen op 3 mei 1946 in het linkse, Britse blad Tribune. Ik lees het in All Art Is Propaganda. (°)
Zo ziet het leven van een broodschrijver eruit, zegt Orwell:
'In een koude maar benauwde slaap-zitkamer, bezaaid met sigarettenpeuken en halflege theekopjes, zit een man in een door motten aangevreten ochtendjas aan een gammele tafel, zoekend naar een plekje voor zijn typemachine tussen de stapels stoffig papier. Hij kan het papier niet weggooien omdat de prullenbak al overvol is, en bovendien ligt er ergens tussen de onbeantwoorde brieven en onbetaalde rekeningen mogelijk een cheque van twee guineas die hij vrijwel zeker vergeten is te innen. (…)’
Zo gaat het er, zegt Orwell, bij elke broodschrijver aan toe, en heel zeker bij de schrijver die om den brode recensies schrijft, een bijzonder beklagenswaardige medemens. De professionele recensent wordt begraven onder een stapel boeken die hij nooit gelezen kan krijgen en desalniettemin: 
‘(.…) merkwaardig genoeg, komt zijn tekst op tijd aan op kantoor. Op de een of andere manier komt het daar altijd op tijd. Rond negen uur 's avonds wordt zijn geest enigszins helder, en tot in de vroege uurtjes zit hij in een kamer die steeds kouder wordt en de sigarettenrook steeds dikker, en bladert hij behendig door het ene boek na het andere, om elk boek neer te leggen zeggend: "God, wat een onzin!" De volgende ochtend, met wazige ogen, nors en ongeschoren, staart hij een uur of twee naar een blanco vel papier, totdat de dreigende wijzer van de klok hem tot actie aanzet. Dan schiet hij plotseling in gang. Alle afgezaagde frasen – "een boek dat niemand mag missen", "op elke pagina staat iets memorabels", "van bijzonder belang zijn de hoofdstukken over enz., enz." – springen op hun plaats als ijzerdeeltjes die een magneet gehoorzamen, en de recensie heeft precies de juiste lengte, met nog maar drie minuten te gaan.'
(°) De door mij aangehaalde uittreksels komen uit George Orwell. 'All Art Is Propaganda’. In George Orwell. Critical Essays. Compiled by George Packer. Introduction by Keith Gessen. 2008. Mariner Books / Houghton Mifflin Harcourt. Boston New York. 872 pp. De vertaling is telkens van Google Translation.

dinsdag 20 januari 2026

Trump: veel gekker moet het niet worden

Links: Trump ontvangt de Vredesprijs van de wereldvoetbalbond FIFA. Rechts: De Venezolaanse Nobelprijswinnaar María Corina Machado overhandigt Trump haar medaille voor de Nobelprijs voor de Vrede. 

IK HEB NIET de gewoonte om me over Donald Trump uit te spreken, Dat gebeurt, vind ik, elders al genoeg, ik zeg liever iets wat anders niemand zegt. Ik herinner me nochtans goed waar ik was toen hij voor ’t eerst tot president verkozen werd: Overwinning Trump pijnlijk voelbaar in Parijs. Daarna ondernam ik een moedige poging om die mens te begrijpen door hem te vergelijken met Marc Coucke. Ook dacht ik na over wat ik zou doen, mocht Trump een bezoek aan Bredene brengen, een uniek denkexperiment.
Op de radio hoor ik dat Trump aan de premier van Noorwegen laat weten dat ‘aangezien jouw land heeft besloten om mij de Nobelprijs voor de Vrede niet toe te kennen voor het beëindigen van acht oorlogen EN MEER, ik me niet langer verplicht voel om alleen maar aan vrede te denken (…)’ Mijn aandacht wordt getrokken door die acht EN MEER. Hoeveel zijn het er dan? Negen? Tien? Twintig? Onwetend als ik ben, vraag ik het aan ChatGPT en dit is het antwoord: ‘Er zijn geen oorlogen die ondubbelzinnig beëindigd zijn alleen door de inzet van Donald Trump. Claims dat Trump meerdere oorlogen heeft “beëindigd” blijken niet te kloppen als je kijkt naar wat er feitelijk gebeurd is.’ Géén dus! Dat wilde ik toch even weten
.
De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi, 337 pagina’s. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat er misschien wel goud van komt. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, u bent nodig om het rond te maken. Een literaire tekst die in de schuif terechtkomt, blijft voor altijd onaf. Ik heb u echt nodig om het werk af te maken. Ik schrijf, de lezer voegt er zijn ding aan toe en zo ontstaat een literair kunstwerk. Wie mijn teksten tot zich neemt is participant. Ergo: de lezer vraagt mij geen geld om te schrijven en ik, schrijver, vraag lezers geen geld om het geschrevene te lezen. ’t Is van een verbluffende logica die weliswaar verdonkeremaand wordt door de anders alomaanwezige markteconomie.
De tekstkroes is een GRATIS e-boek, uitgegeven door De Lachende Visch. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je epub of pdf verkiest) Vraag het meteen aan liefkemores@telenet.be⇲ en het valt vandaag nog in uw e-box.

maandag 19 januari 2026

Waarom ik er geen geld voor vraag

‘(…) een tekst is samengesteld uit velerlei schrifturen die afkomstig zijn uit meerdere kulturen en onderling een dialoog aangaan of elkaar parodiëren of tegenspreken, maar er is een plaats waar deze veelvuldigheid samenkomt en die plaats is de lezer en niet, zoals tot dusver werd aangenomen, de auteur. (…) de eenheid van een tekst is niet gelegen in zijn oorsprong maar in zijn bestemming.’ (Roland Barthes in De dood van de auteur. Vertaling J.F. Vogelaar )

TOT IN 2012 oefende ik het beroep van schrijver uit, een zelfstandig bijberoep. Samen met mijn journalistiek werk in loonverband genereerde dat toen een klein maar reëel inkomen: ik leefde waarlijk van mijn pen die het uitzicht van een professionele tekstverwerker aannam. 
In 2013, jaar van mijn pensionering, leverde ik ook dat bijberoep in, ik deed, zoals men zegt, de boeken toe. Tegelijk stapte ik uit de boekenmarkt. Sindsdien is wat ik schrijf vrij beschikbaar voor elkeen die er oog voor heeft. ’t Is iets wat meer gebeurt dan ge denkt, creative commons neemt de plaats in van copyright.
Waarom doe ik aan literatuur als ik er niet langer geld voor vang? Roeping? Da's is een woord waarvan ik huiver. Ik dacht na over de vraag en in 2023 verzamelde ik een aantal conclusies. Daar voegde ik in 2025 nog een en ander aan toe, zo ook Wat Susan Sontag daarover zegt'.
Er is nóg een reden, een die alle voornoemde overschaduwt. Een literaire tekst die in de schuif terechtkomt, blijft voor altijd onaf. Ik heb u echt nodig om het werk af te maken. Ik schrijf, de lezer voegt er zijn ding aan toe en zo ontstaat een literair kunstwerk. Wie mijn teksten tot zich neemt is participant. Ergo: de lezer vraagt mij geen geld om te schrijven en ik, schrijver, vraag lezers geen geld om het geschrevene te lezen. ’t Is van een verbluffende logica die
 weliswaar verdonkeremaand wordt door de anders alomaanwezige markteconomie. Ge vraagt: ‘Haalt ge dat allemaal uit Barthes’ De dood van de auteur?' Niet alles, neen. Ge zegt nog dit en ge zegt nog dat. Maar ge kunt zoveel zeggen.
De tekstkroes is een mengkroes waarin ik al mijn literaire creativiteit gooi. U bent in deze geen consument, daardoor koopt u mijn literaire experimenten niet, u werkt er als lezer aan mee. Met andere woorden: ik heb u nodig om het af te maken. In De tekstkroes mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er goud van komt. Want ook dit denk ik: samen zijn we AI de baas. U bent in deze geen consument die het e-boek koopt, u bent een lezer die het boek krijgt toegestuurd als u erom vraagt. Doe het! Schrijf naar liefkemores@telenet.be, vermeld ‘TEKSTKROES’ en zeg of u pdf wenst of epub.


zondag 18 januari 2026

Sciencefiction op de Oosteroever, in tijden van artificiële intelligentie


VOOR EEN SCHRIJVER is het vandaag weinig zinvol om zelf een sciencefictionverhaal te schrijven. Artificiële intelligentiesystemen doen dat nu in minder dan geen tijd. Ik vroeg het aan ChatGPT: ‘Schrijf een sciencefictionverhaal met twee protagonisten, De Laatste Vuurtorenwachter en de kaaihoer. Plaats van het gebeuren: de Oostendse Oosteroever. Honderd woorden.’ Ik zie het systeem even twijfelen, niet lang hoor, minder dan een seconde. Dan volgt meteen het verhaal, exact honderd woorden:
In de futuristische Oostendse Oosteroever bewaakte de Laatste Vuurtorenwachter de schemering van een vervallen wereld. De escort, a.k.a. de kaaihoer, was op zoek naar een veilige haven, maar werd achtervolgd door schaduwen uit de technologische duisternis. De vuurtoren, ooit een baken voor schepen, straalde nu een mysterieus signaal uit dat de schaduwen verzwakte. De escort en de vuurtorenwachter werkten samen, hij stuurde haar door het licht, zij hackte digitale duisternis. Met een laatste krachtinspanning verbraken ze de controle van de schaduwen, waardoor de Oosteroever weer een lichtpunt werd in een verder verduisterde wereld. Hoop herrees uit de duisternis. 
Flauw, vind ik. Dan is mijn verhaal toch spitser. Ook exact honderd woorden: 
reuzenkreeft 
dit is wat er gebeurt als vuurtorenlicht
in het jaar twenty five twenty five
stopt met draaien
en de kaaihoer de Oosteroever ontvliedt
omdat ze terecht vreest
dat stilstaand vuurtorenlicht
een teken van naderend onheil is
en zo geschiedt het 
in twenty five twenty five
dat een nooit geziene reuzenkreeft
genaamd de rode bastebeier
ter grootte van een walvis
op ’t strand van d’Oosteroever aanspoelt
om daar in naam van alle levend gekookte kreeften
wraak te nemen op de mensheid
met zijn scharen alles verknippend wat des mensen is
in de eerste plaats Lange Nelle
en daarin De Laatste Vuurtorenwachter
Flor Vandekerckhove

OP ’T EINDE van 2020 ontwierp ik een 'nieuwe manier van schrijven', die geheel de mijne is. Reuzenkreeft is op die manier geschreven. Mij kwam het toen ook toe deze nieuwe manier een naam te geven, alsmede er de vereisten van in steen te beitelen: proza in de vorm van een vers, afgekort provovers (mv. provoverzen? de beoefenaar ervan: een provoversaal?) Dat provovers werd door mij geijkt in vier geboden. (1) het provovers telt exact honderd woorden, titel niet inbegrepen; (2) de titel van het provovers bestaat uit één woord; (3) leestekens ontbreken, alsook kapitalen (behalve als het een eigennaam betreft); (4) de vorm van het provovers kenmerkt zich door lijnafbrekingen, dermate georganiseerd dat ze het lezen faciliteren. Visueel maken die lijnafbrekingen er een vrij vers van — een proza+ — dat de lezer kan savoureren als ware ’t eenvoudige poëzie van het soort dat een spreker gemakkelijk parlando ten gehore brengt. 
Bij uitgeverij De Lachende Visch verscheen in 2023  Gesprekken met Polleke, een verzameling van vijftig prozagedichten en vijftig dergelijke provoverzen. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook Gesprekken met Polleke gratis. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je ’t in pdf of epub wilt hebben): liefkemores@telenet.be.

zaterdag 17 januari 2026

Mag ik uit Het Communistisch Manifest citeren?


Es bleibet dabei:

HET KWAM tot een woordenwisseling. Iemand die ik al van kindsbeen ken, had de malaaien van de dag opgesomd en ik had hem van antwoord gediend met een citaat uit Het Communistisch Manifest: ‘De burgerlijke maatschappij, die zulke geweldige productie- en ruilmiddelen heeft gecreëerd, gelijkt op de tovenaar die de duivelse machten die hij zelf opriep niet meer kan beheersen.’ Dat was een beetje vilein van mij, want Karl Marx werkt op die mens als een rode vlag op een oude kaloot. Dus beet hij in de rode appel en er ontstond enig geschrijf van het soort dat al tientallen jaren 
over en weer gaat tussen ons. Niets aan de hand.
Wat ik niet had zien aankomen was de reactie van iemand anders. Zij is een gedegen kunstenares. In Oostende baat ze ook een galerie uit, eigendom van de mens die ik met Karl Marx van antwoord gediend had. Haar indrukwekkende betoog kwam er, samengevat, op neer dat ik over Het Communistisch Manifest moest zwijgen. Waarom? Omdat ik niet in Roemenië onder Nicolae Ceaușescu had geleefd, zoals haar familie dat wel had moeten doen. Iemand die al die smeerlapperij niet meegemaakt heeft, zei ze, moet over Marx zwijgen.
Dat houdt natuurlijk geen steek. Je moet niet de vernietigende kracht van onweer overleefd hebben om met recht en reden de weerman te citeren. Je hoeft niet door de Amerikaanse vreemdelingenpolitie ICE beschoten te zijn om Alexis de Tocqueville aan te halen. Je moet geen aanslag op een Greenpeaceschip overleefd hebben om woorden van François Mitterand te gebruiken. Je grootvader dient geen afgekapte hand te hebben om Lumumba te citeren of vader Eyskens. Es bleibet dabei: Die Gedanken sind frei!
Wie me zegt wat ik al dan niet mag schrijven raakt een gevoelige snaar, die begint dan een beetje te trillen. Ik antwoordde: ‘Mevrouw, u zou eens moeten weten hoeveel mensen me al gezegd hebben wat ik al dan niet mag schrijven. Ik ben omwille van wat ik schreef gebroodroofd geworden door een kliek van ondernemers, bureaucraten en pastoors die alhier de dienst uitmaakten. Zij zijn er toen niet in geslaagd mij het zwijgen op te leggen, er is dus weinig kans dat gij dat nu wel zult doen.’ En in de zwier van die hoogdravendheid sloot ik af met: ‘Ik maak deel uit van een politieke strekking die zowel voor als achter het IJzeren Gordijn vervolgd werd, waarvan velen omwille van hun mening vermoord werden. Dus ja, ik citeer met recht uit Het Communistisch Manifest.’ 
Nu, terwijl ik dit stukje afrond, zit ik een wijl naar die beladen zinnen te kijken. Ik vraag me af of die jonge vrouw iets van die tegenbeweging afweet, die oppositie, dat verzet. De vernietigende kracht van het stalinisme is immens geweest, blijkt ook nu weer uit haar reactie. Het weerwerk dat wij, en dus ook wij soixantehuitards, tegen die vernietigende kracht geboden hebben, is te zwak gebleken. We hadden beter moeten doen.
Flor Vandekerckhove

De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi, 337 pagina’s. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat er misschien wel goud van komt. De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, u bent nodig om het rond te maken. 
De tekstkroes is een e-boek, uitgegeven door De Lachende Visch. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je epub of pdf verkiest) Vraag het meteen aan  liefkemores@telenet.be.

vrijdag 16 januari 2026

Herinneringen aan Ivanhoe

Links: Ivanhoe. Rechts: een Sierra, nu te koop als brocante. In de advertentie staat: ‘Buitenkant best nog in een mooie staat maar geen idee of hij werkt (niet geprobeerd)’

EEN KWAKKELEND geheugen zorgt ervoor dat ik me maar weinig met zekerheid herinner. Toch dit: op 15 december 1960 hadden we zeker televisie in huis. Op die dag trouwden Boudewijn en Fabiola. Dat wilde Arjette niet missen en ze dwong van Onze Marcel een TV-toestel af. Hij kocht de Sierra in Westkerke, bij elektricien Aloïs, echtgenoot van een van zijn nichten, Laura Cardon of Paula. Of Nora, daar wil ik vanaf zijn.
Op die Sierra kon ik in 1960 ook het feuilleton Ivanhoe zien. Ik ben haast zeker dat ik de reeks een tweede keer op de Franse tv zag, op zender Rijsel. Daar sprak Ivanhoe (Roger Moore) Frans en ook de titelsong was Frans: Ivanhoooé! Zoiets vergeet een mens niet. De Nederlandstalige titelsong herinner ik me niet, maar hij bestaat wel degelijk. Misschien werd die in Vlaanderen in 't Engels gezongen, dat weet ik niet meer.
Ivanhoe was een indrukwekkende verschijning. Met zijn witte pluim, speer en glimlach was hij letterlijk en figuurlijk onweerstaan-baar. Vriend en vijand bogen voor zijn moed, charme en wapenvaardigheid. Kunt u zich voorstellen welke impact dit personage op mij had, jonge babyboomer, gekluisterd aan de Sierra? Week na week stond hij klaar om mij mee te slepen in zijn strijd tegen het schorriemorrie dat zijn pad kruiste. Ivanhoooé!

Flor Vandekerckhove


De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi, 337 pagina’s. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat er misschien wel goud van komt. De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, u bent nodig om het rond te maken. 

De tekstkroes is een e-boek, uitgegeven door De Lachende Visch. Mail erom (vermeld de titel en zeg of je epub of pdf verkiest) Vraag het meteen aan  liefkemores@telenet.be.

woensdag 14 januari 2026

Patti Smith: ‘Schrijven is wat ik ’t liefste doe.’

‘Wat ik altijd het allerliefst wilde, was schrijven. En hopelijk ooit een geweldig boek schrijven. Die periode in Michigan, waarin ik geen andere afleidingen had, waarin ik niet aan het opnemen of optreden was, niet bezig was met beeldende kunst, stortte ik me volledig op schrijven, studeren en mijn gezinsleven. En zo groeide en ontwikkelde ik me als schrijver. Ik had “Just Kids” nooit kunnen schrijven zonder die jaren van schrijven, grotendeels ongepubliceerd, gewoon notitieboekjes, stapels notitieboekjes. (...) Het is soms een enorme worsteling. Ik heb dagenlang geworsteld met drie alinea's. Als ik vijf goede zinnen schrijf, voel ik me alsof ik op een wolk zweef. Echt heel goed, als ik ze teruglees en denk: oké, dat is goed. Dat geeft me enorm veel voldoening.’ (°)
(°) ’t Is spreektaal, de vertaling is van Google. Het origineel luidt: ‘I always wanted the most was to write. And to write, hopefully, a great book someday. That period in Michigan where I had no other distractions, I wasn’t recording, performing, I wasn’t doing visual arts. I put everything into writing and studying and my domestic life. And I grew and evolved as a writer. I could have never written “Just Kids” without those years of writing, mostly unpublished, just notebooks, piles of notebooks.  (…)  It’s a great struggle, sometimes. I’ve struggled for days over three paragraphs. For me, if I write, five good sentences, it’s like, I’m on a cloud. I mean, really good, when I look at them and I go, OK, that’s good. That gives me great pleasure.’

De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, want ik heb u nodig om het rond te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat er misschien wel goud van komt. 
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch.Mail erom (vermeld de titel en zeg of je epub of pdf verkiest) Vraag het meteen aan  liefkemores@telenet.be.

dinsdag 13 januari 2026

Losse eindjes, goede voornemens

Links: tijdschrift Partisan Review. Midden: dichter Delmore Schwartz. Rechts: Alan Wald, op de foto in juli 1997, bij het graf van Ernest Mandel, op Pere-Lachaise in Parijs.


EEN SLODDERVOS blijft al eens met losse eindjes zitten. In 2016 nam ik me voor om regelmatig in de archieven van Partisan Review te duiken, ‘the best literary magazine in America’. Ik heb dat ook gedaan. Zeventien posts lang, beginnend in 2016 met Bladeren in Partisan Review. Dat kon ik doen doordat alle nummers online staan, en ik er vrijelijk gebruik van kon maken. En opeens niet meer — ‘Safari kan de server niet vinden’ waardoor ik ermee ophield. Het laatste stukje was Nicolas Calas, surrealist en trotskist. Nu zie ik dat het probleem wellicht bij m'n oude browser ligt en niet bij de universiteit van Boston die het archief ter beschikking stelt. Hier⇲ vind ik de link weer, ik kan dat losse eindje weer opnemen.
Misschien biedt de Amerikaanse dichter Delmore Schwartz (°1913 - 1966†) daartoe wel de gelegenheid, hij publiceerde in Partisan. Schwartz is ook zo’n los eindje. Ik haalde destijds diens biografie in huis, The Life of an American Poet, vertaalde een gedicht van Schwartz, vertelde iets over de band tussen de dichter en Lou Reed en liet me door Delmore inspireren tot Gisteren op de Spinoladijk. Nog was ik met die mens niet klaar, maar ik hield er toch mee op: weer zo’n los eindje. Ik had in de biografie nochtans de krasse uitspraak ‘Always apolitical’ onderstreept en me voorgenomen om die te confronteren met wat Alan Wald over Schwartz schrijft in Marxism and the Modernist Poet, dat opent met Schwartz’ citaat: ‘[D]e revolutie is een beroep op zichzelf, dat de schrijver als mens moet ondersteunen, maar zonder op te houden een volwaardig schrijver te zijn.’ Wald vindt tal van tekenen dat Delmore die steun wel degelijk verleent, bijvoorbeeld: ‘De naam van Delmore verschijnt in elke verklaring van de League for Cultural Freedom and Socialism (LCFS), Amerikaanse afdeling van de Internationale Federatie van Revolutionaire Kunst, aangekondigd door Trotski, André Breton en de Mexicaanse muralist Diego Rivera.’ Die Alan Wald is trouwens een schat van een mens en ook dat losse eindje wil ik weer opnemen, in een stuk dat ik aan deze geleerde, Amerikaanse, linkse medemens wijd. Ge ziet: veel goede voornemens, zoals dat past in januari.
Flor Vandekerckhove

De-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet. Ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat dat er misschien wel goud van komt.
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw mailbox.

maandag 12 januari 2026

Ouders en hun nageslacht

Gouden Leeuw Filmfestival Venetië voor ‘Father mother sister brother’ van Jim Jarmusch. (Wil er bij deze recensie rekening mee houden dat wij fan zijn van die mens en bijgevolg ietwat vooringenomen.)

ER IS een interview met Arno, waarin hij, naar ik me herinner, zei: ‘Ik heb mijn vader te weinig opgezocht. Dat beklaag ik me, maar ‘t is nu te laat hé. Hetzelfde overkomt me met mijn zonen. Da’s normaal hé.’ Over dat normaal gaat Father Mother Sister Brother, nieuwe antologiefilm van Jim Jarmusch. ’t Is een drieluik over de ongemakkelijk aanvoelende afstandelijkheid tussen opeenvolgende generaties in eenzelfde familie. Jim Jarmusch zegt er hier zelf over: ‘De film werd ontworpen als drie bewegingen van een voortgaand muziekstuk.’ En verder: ‘’t Is een stil observeren van mensen, zonder oordeel te vellen. Als er iets waardevols uit voortkomt, hoop ik dat het empathie is en dat het mensen met al hun zwakheden leert te aanvaarden.’
Eén. Broer en zus bezoeken vader. Hij woont afgelegen, in West Milford (New Jersey, USA). Het is de twee niet duidelijk hoe ’t hem daar vergaat. Beschikt hij wel over voldoende geld? Neemt hij medicatie? Ook zijn verleden is onduidelijk: ‘Hij scheen altijd wel projecten te hebben.’  Vader van zijn kant doet zijn best om al die onduidelijkheden te cultiveren. De nieuwe bank bedekt hij met een deken, als om de slijtage weg te moffelen; hij verwelkomt z’n kinderen met afgedragen kleren; Tom Waits, die de vaderrol speelt, ziet er sowieso verlopen uit… Ze hebben elkaar ook niet echt iets te vertellen. Hilarisch is de passage waarin vader zich in de designzetel plaatst en die van zijn kinderen wegdraait om naar ’t landschap te kijken. Dan wordt het weer tijd om afscheid te nemen. Waarna we een metamorfose meemaken, vader maakt zich op om uit te gaan.
Twee. Twee zussen bezoeken moeder die in Dublin woont. ’t Is een jaarlijkse gewoonte, met thee en koekjes. De twee verschillen als dag en nacht
, een van beiden doet wel veel leugenachtige moeite om moeders aandacht naar zich toe te trekken. Die moeder (Charlotte Rampling) is vooral afstandelijk. Ze is een schrijfster die haar dochters ver van haar boeken weghoudt (niet dat ze erg geïnteresseerd zijn, ze doen er ietwat lacherig over.) Dan is ’t weer tijd om afscheid te nemen. De dochters rijden weg, elk hun richting, moeder sluit de deur. Zo, dat hebben we ook weer gehad.
Drie. In Parijs komt een tweeling samen om het leven van de ouders af te sluiten. Het appartement is leeggemaakt, de bezittingen zijn gestockeerd, ze kijken foto’s. Die ouders zijn in een vliegtuigje verongelukt boven de Azoren. Wat ze daar deden? De kinderen weten het niet. Elk van de drie hoofdstukjes toont het: ouders hebben een leven waar kinderen geen weet van hebben (het vrolijke leven van vader, de boeken van moeder, het vliegtuigje boven de Azoren.) Die onwetendheid wordt in elk van de drie delen gesymboliseerd door een al dan niet echt Rolex-polshorloge en ook door een drie keer weerkomende vraag: ‘Kan je toasten met water/thee/koffie?’
Hoe zal het die kinderen zelf vergaan? Ook hun bestaan zal irrelevant zijn voor het nageslacht. Jim Jarmusch suggereert het door een scene die in elk van de stukjes terugkomt. Sierlijk skaten jongeren voorbij de protagonisten die er onbegrijpend, als gebiologeerd, naar kijken: de afstand is al aanwezig, hun tijd is al voorbij. Da’s normaal hé, zou Arno zeggen. 
Wie er meer over wil weten, kan kijken naar wat de makers er zelf over zeggen in Jim Jarmusch, Adam Driver, Vicky Krieps, Tom Waits, & More on Father Mother Sister Brother.
Flor Vandekerckhove

[Dit stukje verschijnt ook in Snapshots. Tijdschrift van de Vlaamse Filmpers.]

Father Mother Sister Brother. Regie en scenario: Jim Jarmusch. Hoofdrollen: Cate Blanchett, Vicky Krieps, Adam Driver, Mayim Bialik, Tom Waits, Charlotte Rampling, Indya Moore, Luka Sabbat. Première: 31 augustus 2025 (Venetië). Duur: 110 minuten.

zondag 11 januari 2026

Met de Hillman naar de Cameo

Links: cinema Cameo, in de Kapellestraat, Oostende. Rechts: een getunede Hillman Musk uit 1955. In mijn herinnering ziet het autootje er bijlange niet zo sexy uit.


DE HERINNERING is zeventig jaar oud, wat om enig voorbehoud vraagt, maar ik herinner me wel degelijk de Hillman. Dat hij ’s winters moeilijk te starten was, herinner ik me zelfs goed. Ik herinner me de zwengel, de 'vrange', waaraan gedraaid kon worden (zonder dat het blijkbaar hielp.) Gevaarlijk spel, die zwengel. Als de motor ‘terug sloeg’, kon je je arm breken of een kaak. Ik herinner me een elektrisch vuurtje dat Onze Marcel op de delco legde, om de luchtvochtigheid met warmte weg te blazen en daarmee ook de oorzaak van de startproblemen. Na een tijdje hielp dat vuurtje ook wel. 
Halverwege de jaren vijftig bestond het winterse zondagsvertier van het ouderlijk gezin uit een cinemabezoek. Met de Hillman ging het naar cinema Cameo — veelal westerns — waar de vertoningen om twee uur ’s middags aanvingen. Wanneer wij ons presenteerden zat die zaal al vol, soms tot in de nok, want de Cameo had twee balkons. We wachtten tot de ouvreuse ons kwam halen. Dat was algemeen gangbaar. Achter het licht van de zaklamp ging je bijvoorbeeld halverwege de vertoning binnen. Na de film bleef je zitten tot je in de volgende voorstelling het journaal van Belgavox gezien had, vervolgens de voorfilm en uiteindelijk ook alle eerst gemiste fragmenten van de hoofdfilm. Dan verliet je de zaal, zodat de ouvreuse weer andere wachtenden kon binnenloodsen.
Tegen die tijd had de luchtvochtigheid nog niet op de delco toegeslagen. Onze Marcel startte de auto alsof het niets was. Wij naar huis, Arjette en Onze Marcel vooraan, ik in een rieten zeteltje, in de laadbak. Mooie momenten: hij ging op zo’n dag niet zuipen, zij liep niet chagrijnig en de cowboyfilm die we net gezien hadden, leerde me dat alles uiteindelijk in orde komt, als je maar geen Indiaan bent.
Flor Vandekerckhove⇲ 

De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, zodat dat er misschien wel goud van komt.
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.



zaterdag 10 januari 2026

Winterpret

Toeschouwers langs de weg, terwijl ik op de vlucht ben voor winterpret. Zoals ge ziet: artificiële intelligentie staat nog niet helemaal op punt.

OP DE VLUCHT voor nietsontziende winterpret, loop ik in een val die Mong De Vos daar eer heeft opgesteld. Daarin zit ook Mong De Vos, want wie een put graaft voor een ander valt er zelf in. (Flor Vandekerckhove)
 
WINTERPRET is een driezinnenverhaal. Het zijn experimenten in het maken van extreem korte verhalen, uitgaand van 't vermoeden dat internetlezers scrollen, surfen & swipen en dat ik bijgevolg maar korte tijd heb om hen mijn literair werk te tonen. In plaats van daar meewarig over te doen, neem ik die realiteit ter harte. 
In het e-boekje 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS verzamel ik er 200. Het boekje heeft als bijkomende plus dat je elke titel kunt aanklikken, de hyperlink leidt je dan naar een video waarin het verhaal geïllustreerd wordt en te horen/zien valt, 200 YouTube-producties in totaal. EN DAT ALLES IN 1 BOEKJE ! Zoals alle digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch is ook 2HONDERD 3ZINNENVERHALEN & 1LINERS gratis. Mail erom en je bestelling wordt meteen ingepakt door de juffrouwen van De Weggeefwinkel. (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

vrijdag 9 januari 2026

Traction avant in de Suisse Normande

De postkaart toont de plek naast de Orne, waar ik mezelf wilde fotograferen. Echter! Op 7 januari lag er in de Suisse Normande een dikke sneeuwlaag. Onverrichter zake reed ik terug naar ’t centrum van Saint-Martin-de-Sallen (600 inwoners). Daar patineerden de wielen in de scherp opgaande bocht (rode pijl in hoofding).


SUISSE NORMANDE. De streek maakt haar naam wel waar en in de sneeuw heeft het landschap een bijzonder hoog kerstkaartgehalte. Ik bevind me in Saint-Martin-de-Sallen, waar ik op Tania wacht, die wandelend onderweg is van Clinchamps-sur-Orne naar hier. Als er evenveel sneeuw op haar wandelpad ligt als op straat, wordt het een harde dobber.
De GR 36 die ze bewandelt, volgt in Normandië al enige etappes de Orne en ook nu bevind ik me in een dorp dat naast de Orne ligt. In dit geval is ‘naast liggen’ een breed begrip. De dorpskom ligt boven, de rivier ligt ver uit het zicht, helemaal beneden. Ergens in de diepte.
Omdat ik me vandaag per se naast die Orne wil vereeuwigen, rij ik de berg af. Hoe verder, hoe hachelijker. Sneeuw! Sneeuw! Sneeuw! Op mijn leeftijd wint voorzichtigheid het al gauw van avontuur. Naast de Orne poseren zal voor een andere keer zijn. Ik keer mijn kar. 
Mijn voorzichtigheid loont helaas niet. Bij het binnenrijden van het dorp patineert de auto. Hoe ik het ook probeer — zachtjes, hard, traag, rap, scheef, recht, links, rechts, met en zonder aanloop, voorwaarts, achterwaarts… — ik geraak geen meter verder. Zie me daar staan, vlak op de hoek, in ’t midden van de straat. 
Een vrouw opent het raam. Ik vraag haar of patineren hier normaal is. ‘Wel zeker,’ zegt ze, ‘ik heb stalen platen die je onder de wielen kunt plaatsen.’ Die blijken helaas verloren gelegd. Haar buurvrouw dient zich aan: ‘Ik heb de gemeentediensten gebeld. Ze strooien meteen.’ Zoveel vriendelijkheid op een straathoek! 
Drie mannen komen kordaat aangestapt, twee met emmer zout, een met schop. Ze bezetten gedrieën heel de straatbreedte. Daar naderen waarlijk The Good, the Bad and the Ugly
In mijn hoofd weerklinkt het filmthema van Ennio MorriconeDe drie geven de vrouw een zoen, in dit dorp kent iedereen elkaar. Ze gaan over tot de daad.
‘Dat patineren komt doordat je met een traction avant rijdt,’ zegt de vrouw. Ik vraag haar hoe ze zo’n dingen weet. ‘Ik heb in de autoindustrie gewerkt,’ antwoordt ze. ‘Nu niet meer natuurlijk, de productie van Renault werd naar China verplaatst.’ Intussen doet het zout zijn werk en meteen rond ik gezwind de bocht. Ik parkeer de auto en vraag de mannen of ik hen in de bar-tabac met een koffie kan plezieren. Die is helaas voor onbepaalde tijd fermé. 
Vrouw sluit raam, kinderen gooien sneeuwballen, mannen bergen gerief op, lucht kondigt verse sneeuw aan, ik schrijf dit verhaal.
Flor Vandekerckhove⇲ 

De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt.
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

dinsdag 6 januari 2026

Iemand bij ’t zeven(tien)de zetten

Er circuleren ook wel recentere foto’s van het onderwijzerscorps van ’t klein college in Oostende, foto’s waarop ook meester Henri Deroo staat (de mens waarom het me hier te doen is) maar helaas geen enkele van zijn klas in 1961-62 (ik vermoed dat er in dat jaar geen klasfoto gemaakt werd.) Ik kies de foto van 1951 omdat hij ons iets meegeeft van de klerikale tijden waaruit wij, babyboomers, voortspruiten: V.l.n.r. 1ste rij, M. Proot, principaal O. Verbeke, Oscar Maes, directeur J. François, R. Debrock. 2de rij, Henri Dangez, Raymond Houwen, A. Declerck, Henri Declercq, Maurice Ghesquière, Leopold Lambrecht, Gerard Catry, J. Dewulf, H. De Zutter. 3de rij, André Maes, William Vande Keere, W. Sarrazyn, Godfried Deruytter, W. Brackez, G. Defauw, F. Deceuninck. 4de rij, Robert Noyen, A. Rotsaert, Herman Vansteelandt, Michel Verstraete, André Dewilde. 5de rij, Paul Vanhaverbeke, Henri Denoo. (De foto komt uit een FB-bericht).

STEL JE voor. Het jaar is 1961 en je bent twaalf. In Bredene rond je ’t lager onderwijs. Er moet gekozen worden. Onze Marcel ziet een toekomstige slager in je, een zoon die de kiekenwinkel tot beenhouwerij opwaardeert. Arjette twijfelt: ‘Een col wast makkelijker dan een kiel. Mij wordt niets gevraagd, ik ben een kind. De slagersschool in Anderlecht is een optie. Daar wacht me desgevallend ’t internaat en ja, hoeveel zal dat weer niet kosten. En ben ik daar niet te jong voor? De kwestie blijft onbeslist.
In september 1961 presenteer ik me in ’t ‘klein college’ van Oostende, bij onderwijzer Henri Denoo. Zijn klas heet ’t zevende, een voorbereidingsjaar op middelbaar ouderwijs. P
rincipaal Carron raadt Arjette die klas aan voor haar zoon, ’om beter Frans te leren.’ Mijn ouders geeft het extra tijd om de slagerskwestie te beslechten.
Iemand bij ’t zeventiende zetten, zo heb ik het aangevoeld. Ik zat daar omdat ’t college zo’n overgangsklas te vullen had. En ik zat er ook omdat mijn ouders geen raad met me wisten. Heb ik dat altijd zo aangevoeld? Dat denk ik wel. Het frustreerde me dat ik letterlijk in een lagere categorie geplaatst werd, terwijl leeftijdsgenoten naar 't 'groot college' trokken. Nu begrijp ik dat uiteraard wel. We beleefden de trente glorieuses, het Wirtschaftswunder, de wederopbouw. Families als de mijne stuurden voor het eerst hun kinderen naar ‘de grote school.’ Wisten zij veel.
Ik bekijk de lijst van leerlingen die in 1961-’62 dat zevende studiejaar met mij deelden (°). Vergis ik me als ik concludeer dat daar vooral jongens uit eerder onmondige milieus terechtkwamen, kinderen van zogenaamd ‘eenvoudige mensen’ die tegen de ‘suggesties’ van zo’n principaal geen weerwerk konden bieden?
Flor Vandekerckhove

(°) Ik krijg de leerlingenlijst van dat zevende studiejaar van oud-medeleerling Jozef Passchyn die me al menig keer kon helpen bij deze reeks herinneringen. In volgorde van uitmuntendheid: Guido De Ruytter (†), Marc Vermeersch, Lionel Dekeyser, Fernand Calle, Daniël Gunst, Daniël Jonckheere (†), Jozef Passchyn, Jean-Pierre Casier, Patrick Billiet, Eric Hollevoet, Daniël Decorte, Bertrand Dehaemers, Flor Vandekerckhove, Adelin Claeys, Ronny Beyen (†), Freddy Buffel, Albert Declercq, Frans De Cuypere, Bernard Vanneuville, Marc Messiaen, Albert Tas, Pierre Van Rie, André Ollieuz, Jean-Claude Vens, Fernand Devos en Eric Delaere.

'De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt.' (Flor Vandekerckhove)
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

maandag 5 januari 2026

Mark Manders schrijft (met) objecten

Links: eenbenige uit de middeleeuwen, midden: ‘Selbst mit einem Fremdbein’. Rechts: tattoo op mijn rechterhand. 

BEELDEND KUNSTENAAR Mark Manders (°1968) exposeert zijn Mindstudy nog tot 18 januari in Museum Voorlinden. Weinig kans dat u daar nog op tijd geraakt, maar ik wil er toch iets over kwijt. In de museumshop van Voorlinden kocht mijn dochter een tattoo voor me. Daardoor loop ik nu met een werk van Mark Manders op mijn rechterhand: afbeelding van een skiapode
Waardoor ik de aandrang voel iets over die fabeldieren te zeggen. 
Eenbenig als ze zijn, hoppen ze door ’t leven. Als het daarvoor te warm is, leggen ze zich op de rug, been omhoog, waarbij hun voet als parasol dient. ’t Is geen zicht, wel efficiënt.
Manders gaat met die eenbenigen aan de haal: ‘Ik heb Skiapode-afbeeldingen gemaakt uit verschillende periodes en regio's. Soms zijn dat er uit de middeleeuwen. De recentste is een schilderij van Maria Lassnig uit 1998, ‘Selbst mit einem Fremdbein’. Laatstgenoemd werk toont voorbeeldig hoe Manders zijn eigen wereld creëert. Maria Lassnig is 2014 gestorven. Het schilderij dateert van 2022 — van na haar dood — en niet van 1998 zoals Manders valselijk claimt. ‘Dat klopt,’ zegt hij in een interview, ‘maar door dat toe te geven, zou alles complexer en onvoorspelbaarder worden.’ Hij heeft gelijk, we moeten het eenbenige hoppen niet moeilijker maken dan het al is.
Ik doe Mark Manders in deze post onrecht aan, skiapodes zijn maar één woord in het universum dat hij creëert als beeldend schrijver: een schrijver die (met) objecten schrijft. Zijn oeuvre is, zegt hij, een ruimtelijk ‘boek’ dat ‘Zelfportret als gebouw’ heet. Wie er meer over wil weten, klikt op zijn site. Misschien scrol je daar naar Text, meer bepaald naar Room with All Existing Words, waar de kunstenaar er zelf meer over zegt. 
Mooie tattoo!
Flor Vandekerckhove
'De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt.' (Flor Vandekerckhove)
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be en het boek valt vandaag nog in uw e-box.

zondag 4 januari 2026

Jean Gabin en het liquideren van exotische planten in de duinen

In de duinen: stapels uitgeroeide exotische planten. Inzet: Jean Gabin.

OP WEG naar de Spinoladijk stap ik over ’t duinpad en kijk naar kaalgekapte duinen. Kranen hebben er planten uitgeroeid, letterlijk met tak en wortel. Ferme bergen uitheemse woekerplanten, stronken, rimpelroos, boksdoorn, mahonie en Amerikaanse vogelkers, halve bomen, hele struiken. Al die planten horen daar niet thuis, verneem ik hier. ’t Zijn exoten die ontsnapt zijn, misschien wel uit uw tuin, of via ondergrondse wortelnetwerken, zaden, vogels die de bessen opeten en weer uitschijten of door het dumpen van tuinafval in de natuur. Zo kunnen sommige planten zich spontaan vestigen in duinen waar ze geen natuurlijke vijanden hebben. Ze krijgen dan vrij spel om zich ongelimiteerd in duingebieden uit te breiden. Maar nu niet meer! Op die plek zal, belooft ons Life Dunias, weer duingrasland ontstaan, er zullen weer soorten orchideeën groeien die er eertijds ook waren. Daar komt ook weer plaats voor de rugstreeppad en voor diverse vlindersoorten. 
Aan de digitale cafétoog die Facebook is, uiten mensen daarover uitgesproken meningen, veelal startend met de uitroep ‘Waarmee zijn ze bezig!’ Volgens de enen is al dat werk een maat voor niets, volgens anderen zijn die exoten daar juist welgekomen: ‘Ze houden ’t zand tegen, versterken de duinen’, ik zie er ook een die de liquidatie van exoten doortrekt naar de volgens hem interessante omvolkingstheorie
Zelf ga ik er gemakkelijkheidshalve van uit dat die van Life Dunias weten wat ze doen. Maar in de krant lees ik toch ook een interview met landschapsarchitect Bas Smets die (weliswaar over stadsontwikkeling) zegt: ‘In- en uitheems, de opdeling is achterhaald. Als het klimaat verandert, dan ook de vegetatie. We moeten nadenken over soorten die adaptief zijn. Wat kunnen we nu aanplanten dat over vijftig jaar nog zal leven?’
Intussen bereik ik de Spinoladijk. Ik denk aan mijn oude ik die vijftig jaar geleden ook zo’n uitgesproken meningen had. ‘Toen ik vijfentwintig was, wist ik alles’ , en niet alleen over duinen en exoten, ook ‘over de liefde, de rozen, het leven, het geld… Ik had al alles meegemaakt.’  Toen ik vijftig werd had ik ‘gelukkig, net als mijn makkers, nog niet al mijn kruit verschoten: In de zomer van mijn leven, leerde ik nog veel.’ Ja, ik vertaal stukken uit Maintenant je sais, lied waarin Jean Gabin (°1904 - 1976†) met een ferm doorrookte stem in elke levensfase denkt: ‘Ha, nu weet ik het.’ 
Over enkele weken word ik 77, waarmee ik Gabin al ruim overleefd heb. Meer nog dan hij, murmel ik: ‘Je suis encore à ma fenêtre, je regarde, et j' m' interroge…’ En terwijl ik ’t einde nader  — en niet alleen dat van de Spinoladijk — denk ik graag à la Gabin: Maintenant je sais qu’on ne sait jamais.
De e-boeken (pdf of epub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. U bent in deze geen consument, u koopt dit literaire experiment niet, ik heb u nodig om het af te maken. De tekstkroes is als een beker waarin ik al mijn creativiteit gooi. Daar mengt mijn imaginatie zich met die van u, lezer, hopend dat er zodoende goud van komt. 
De tekstkroes is een e-boek, 337 pagina’s, uitgegeven door De Lachende Visch. De distributie gebeurt buiten de markt, via De Weggeefwinkel. Het e-boek is gratis voor wie erom vraagt. Vermeld ‘Tekstkroes’ en zeg of u pdf dan wel epub verkiest. Doe het via liefkemores@telenet.be. en het boek valt vandaag nog in uw e-box