maandag 2 mei 2016

Wijwater

 — Schuin links achter de aalmoezenier zie je het visruim waarvan sprake in onderhavig stuk. Op het deksel van dat ruim staat de wijwateremmer en de kwispel. (Eigen foto.) —

Voor het katholicisme ben ik normaliter streng, zeer streng, maar voor een katholieke scheepsdoop maak ik graag een uitzondering. Zo’n doop trekt een schip binnen in de gemeenschap, het krijgt op dat moment een naam en peetouders. Ten aanzien van zoveel symboliek moet een norse atheïst als ik een oogje dichtknijpen, vind ik.
Dat wil zeggen, vond ik, want de laatste scheepsdoop die ik als journalist heb bijgewoond, heeft mijn toegeeflijkheid geen deugd gedaan.
Een kwarteeuw lang heb ik Het Visserijblad uitgegeven. Ik heb verslag uitgebracht van tientallen scheepsdopen. Maar wat ik op 1 september 2012 in Nieuwpoort te zien krijg, is een openbaring, een epifanie.
Daar wordt op die dag het vissersvaartuig Pelorus Jack gedoopt. Heel de vissersgemeenschap is present en de aalmoezenier neemt het woord. Hij spreekt de geijkte formules uit, sprenkelt wijwater over mensen & dingen en doopt daarmee het schip. Zo gaat dat altijd en zo gaat het ook nu weer. Maar niet helemaal.
Terwijl een massa mensen zich in beweging zet om bij de eersten in de zaal te zijn waar de receptie volgt, zie ik hoe de aalmoezenier het visruim openmaakt. Ik vraag me af wat hij van plan is en blijf kijken. Hij legt het deksel weg en keilt de inhoud van zijn wijwateremmer in het visruim. Geen zweem van glimlach. Hij meent het. Die kluts wijwater zal ervoor zorgen dat het ruim met vis gevuld wordt.
Dat mocht hij niet gedaan hebben. Vanaf die geut wijwater vlieden mijn gedachten holderdebolder naar zeemeerminnen die door zeepaardjes voortgetrokken worden en vandaar godbetert naar amuletten in de vorm van een penis. In het Oog van Horus zie ik vervolgens bergkristallen van de Kemmelberg rollen. Beneden worden ze opgeraapt door mascottes die op barbiepoppen lijken. Aan de horizon ontwaar ik totempalen met grote memmen. Ik zie trollen verschijnen die doorheen toverboeken van Jeroen Meus bladeren. Door een raam zie ik hoe iemand binnenshuis een paraplu opent, terwijl hij in een gebroken spiegel staart. Onderweg ontmoet ik sjamanen die hun weg kwijt zijn en mij een konijnenpoot willen verkopen. Ook ben ik getuige van een mensenoffer dat ten bate van het toerisme goed weer moet afdwingen. Ik schud het hoofd.
Terwijl ik me hoofdschuddend naar de receptie begeef, blijft mijn geest nog een wijle hangen bij maagden die klaarkomen bij ’t aanschouwen van de heilige Florentius. En kijk, terwijl ik de receptiezaal binnenschrijd, gebeurt het: ik zie het licht! En besef daardoor dat ik mij niet aan de Vlaamse kust, in de XXIste eeuw, bevind, maar in St-Florent-le-Vieux ten tijde van de Vde.
Mijn hoofd is voorwaar gevuld met wonderbare vangsten. Nu dat visruim nog.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten