woensdag 11 mei 2016

Iemand anders

Toen hij jong was woonde hij op het platteland. Dat land was in de greep van de vooruitgang gekomen en nu woonde hij aan de rand van een stad die traag maar gestaag zijn huis genaderd was. Eerst had hij zich nog tegen die stadsuitbreiding verzet, maar inmiddels had hij er zich bij neergelegd.
Met de kijker, waarmee hij vroeger naar de vogels placht te turen, keek hij nu naar de ramen van een flatgebouw dat de plaats van zijn landelijke uitzicht ingenomen had. Eerst was dat pure verveling, dat kijken naar die ramen, want het leven van de stedelingen was zo te zien erg saai. Dat veranderde nadat hij iemand anders in ’t oog gekregen had.
Zij was anders dan de anderen, ook anders dan de man die met haar leefde. Ze was niet jachtig, niet schichtig, niet gesloten, niet beschaamd. Ze gedroeg zich als de vogelen des hemels die hij destijds aanschouwd had. Zij zaaide niet en maaide niet en bracht niets bijeen in schuren. Ze had de naam die hij haar gegeven had — iemand anders — derhalve niet gestolen.
Niet alleen omwille van die vogels liet ze hem aan zijn jeugd denken. Ze was ook zoals de leliën des velds en niet bezorgd om kleding. Ze ontkleedde zich voor het raam waar hij naar tuurde en bekommerde zich niet om de blikken van een oude man die van op afstand naar de dingen keek.
Iemand anders werd, dat begrijpt u wel, een kleine obsessie voor de oude man. Hij keek alleen nog maar naar haar. Hij keek toe hoe ze vlak voor dat raam van lingerie wisselde en hij werd al kijkend blij verrast door de merkwaardige kledij van stadsvrouwen. Hij keek toe wanneer ze haar boezem waste en haar oogschaduw oplegde.
Zich schuldig voelen deed hij niet, want het was niet hij die naar de stad getrokken was om naar iemand anders te kijken, het was de stad zelf die in zijn blikveld was gekomen. Evenmin was hij bezorgd voor de gevolgen van zijn daad, want, zo wist hij, elke dag had al genoeg aan zijn eigen kwaad.
Dat laatste was maar al te waar. Dat ondervond hij toen de echtgenoot bij hem aanbelde. Dat had de oude man kunnen voorzien, maar hij had de tekenen niet begrepen. Die dag had iemand anders wild voor ’t raam staan zwaaien. Dat had ze nooit eerder gedaan. Hij had teruggezwaaid.
Vooral dat laatste nam de echtgenoot hem kwalijk, want hij zei: ‘Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt, maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.’
Omdat stadsmensen erg gehaast zijn, kon die man uiteraard niet op Gods oordeel wachten. Hij nam de plaats in van de Allerhoogste en sloeg zelf de verrekijker stuk. Bij het buitengaan schreeuwde hij nog: ‘Dat zal u leren naar iemand anders te gluren!’
Ha, dacht de oude man, ook haar echtgenoot noemt haar zo.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen