dinsdag 24 mei 2016

De kaap ronden

— Masaccio, Adam en Eva
verdreven uit het paradijs. —
Ik schrijf dit stukje omdat mijn maat Jo Clauwaert binnenkort zestig wordt. Hij rondt de kaap. Kijk, zo gaat het eraan toe eens je de kaap gerond heb. Laat het me vertellen, ik ben een ervaringsdeskundige, ik heb die kaap al lang gerond, ik neig al naar de zeventig.
*
Als ik het nu niet doe, wanneer dan wel? Ik moet er nu aan beginnen. Ik moet de verhalen fijn stellen die ik over enkele dagen in ’t publiek zal voordragen.
Maar doe ik dat ook? Neen, ik doe het niet. Ik doe iets anders. Ik schrijf een stukje waarop niemand zit te wachten, iets wat ik gemakkelijk kan uitstellen tot daar meer tijd voor is. Dat komt doordat ik de kaap gerond heb. Elke dag ontwaak ik met de glimlach, terwijl ik ietwat plechtig deze woorden uitspreek: deze dag hoort mij volledig toe, heden moet ik niets! (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
*
Ik ben twintig en loop langs de steenweg naar het instituut waar ik de lessen volg. In het gebouw word ik bij de directeur geroepen. ‘Man man man,’ zegt die, ‘zeg me eens wat er scheelt.’ Ik weet niet waar hij heen wil.
‘Ik heb je zien lopen langs de steenweg’, zegt hij, ‘en je zag er zestig uit.’
Dat heeft de directeur goed gezien. Zo voel ik me ook, zestig. Ik begrijp niet wat daar mis mee is. Want zestig voel ik me al heel mijn leven, ook al toen ik vijftien was.
‘Kop op!’ zegt de directeur en met gebogen hoofd verlaat ik zijn bureau.
Ja, ik voelde me toen zestig en ik voelde me ook nog zestig toen ik dertig werd, veertig en vijftig. En toen ik eindelijk echt zestig werd viel alles in zijn plooi. Eens die kaap gerond moest ik almaar minder, en uiteindelijk — zo rond mijn vijfenzestigste — had ik het helemaal onder de knie, en moest ik niets meer. (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
Wat heb ik die directeur toen geantwoord? Dat weet ik uiteraard niet meer. Maar laat het, omwille van het verhaal, dit zijn: ‘Halverwege de weg naar het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Een citaat van Guy Debord. De directeur wist niet wie dat was. En ik wist dat in die tijd evenmin.
*
Nu ben ik de kaap al lang voorbij, maar ik voel me nog altijd zestig en vervolg mijn weg sindsdien met opgeheven hoofd. Niets moet nog. Of ’t zou het fijn stellen van die verhalen moeten zijn. Maar eerst haal ik de was nog binnen, en daarna ga ik, denk ik, wandelen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten