donderdag 3 juni 2021

Twee roze



Het woord prozagedicht is een oxymoron, het bestaat uit twee delen die elkaar tegenspreken. Zelf hou ik wel van zo’n onduidelijkheden, ik toef graag in zo’n grensgebieden. Dan schrijf ik bijvoorbeeld een geconcentreerd prozaverhaal van één paragraaf, probeer er een beetje ritme in te steken, voeg er al eens een stijlfiguur aan toe, her en der heb ik zelfs oog voor een (half)rijm. En nadien vraag ik me af: is ’t nu nog altijd een éénparagraafverhaal, proza dus, of is ’t gaandeweg een prozagedicht geworden, poëzie dus. Ook omdat ik een luie denker ben, kom ik veelal niet tot een eenduidig antwoord. 
Overigens experimenteer ik niet alleen graag met genres, zoals proza-poëzie, ik experimenteer ook graag met vormen, zoals hieronder: één alinea, lettertype Verdana, corps 16 pt, sierletter, roze achtergrond, 30 cm breed. Gemakshalve, en verwijzend naar de achtergrondkleur, noem ik ze ‘Twee roze’. Het eerste is nieuw, 't is een proeve van surrealisme light (en er werd een filmpje van gemaakt, ik plaats het onderaan), het tweede dateert van 2013, puur realisme. (Flor Vandekerckhove)


dinsdag 1 juni 2021

De jeugd van Maria Puystiens

Links: Maria Puystiens. Rechts boven: moeder Stefanie Pylyser met de kleine Henri Puystiens op schoot (1908). Rechts onder: van rechts nr links: Henri, Maria en neefje Pol, uit het oorlogsgebied weggehaald en ondergebracht in Epagnie Gruyère, Zwitserland (1916).


Maria (°08.09.1909) is een kind van IJslandvaarder Engel Puystiens (°02.09.1883-†22.04.1978), naam die ook vandaag nog in de visserij een belletje laat rinkelen. Zijn verhaal staat uitvoerig beschreven in het standaardwerk van Johan Depotter. (°) Ons is het hier om diens dochter Maria te doen. Vanaf februari 1985, ze is dan 76, begint ze haar jeugd te beschrijven. Ze doet het in brieven die ze vanuit Torrevieja (Spanje) naar haar broer Frans en schoonzuster Clara verstuurt. (°°) Intussen is Maria overleden, we weten niet wanneer. Wel weten we hoe haar jeugd eruitziet.
Net als Engel is Maria’s moeder, Stefanie Pylyser, telg van Oostduinkerkse vissers. ‘In die tijd kon men z’n huis bouwen waar men wilde, de grond moest je niet kopen. Daardoor komt het dat er hier en daar huisjes neergezet werden, met soms alleen maar een duinpaadje om het te bereiken. Moeder heeft veel moeten werken, dagen stond ze aan de waskuip, met plank en borstel. Om wat bij te verdienen ging ze in de omgeving vis verkopen — 10 centiem per pint garnalen. Vader had een kleine schuit en op een stukje duinengrond kweekte hij aardappelen en gerst.’
De Groote Oorlog! Vader wordt onder de wapens geroepen. Maria is vijf. De vrouwen blijven achter. De wereld passeert voorbij hun deur: ‘Soldaten uit de Franse koloniën, Marokkanen, Algerijnen, Zouaven… Het waren die mannen die naar de “tranchées” gestuurd werden, gewapend met messen voor het lijf aan lijf gevecht. Degenen die terugkwamen droegen een halsketting met Duitse oren.’  Later worden de kinderen uit het oorlogsgebied weggehaald en in een Zwitsers weeshuis ondergebracht. Het achtergelaten Oostduinkerke verandert in een ruïne. Het gezin wordt herenigd in Frankrijk — de kleinsten herkennen hun moeder niet meer. Na de oorlog kan ook vader hen daar vervoegen — en nu is ’t hij die door de kleinsten niet herkend wordt. Het is 1921 wanneer de Puystiens weer in ’t land zijn. 
Maria is veertien als ze ’t seizoen gaat doen', ze wordt ingezet in het toerisme dat aan de kust met kinderarbeid gepaard gaat: drie maand aan de vaat in een hotel, van 6 uur ’s morgens tot 1, 2 uur ’s nachts. 150 frank/maand. Na het zomerseizoen wordt het aardappelen rapen, bieten kappen. Een alternatief is ‘dienen’ bij de Brusselse burgerij: ‘Er waren al wat meisjes naar Brussel vertrokken. Dat ging zo in die tijd: iedereen trok naar de stad.’ Maria is 17 als ze daar als ze als meid in dienst treedt: ’s morgens het fornuis aansteken, koffie zetten, pap maken voor de kleintjes, koken, inslapen in de kinderkamer: 150 frank/maand. Het werk in Brussel wordt onderbroken doordat vader zijn kans wil wagen in Frankrijk. Het perspectief is, zo herinnert Maria zich, niet min: rijk worden! Feit is dat de vele Franse gesneuvelden de nood aan arbeidskracht in de landbouw zeer acuut maakt. Gaat Engel daar werken bij uitgeweken Vlaamse boeren? Is hij van plan er zelf landbouwgrond te kopen? Maria maakt het ons in haar brieven niet duidelijk. Maar rijk worden de Puystiens daar geenszins: ‘We keerden platzak terug; de Belgen gingen daar allemaal failliet.’ Amper twee maanden later is het gezin alweer in België, maar niet in Oostduinkerke. Om de blik van de buren te ontlopen, gaan de Puystjens in Nieuwpoort wonen, een droom armer en een desillusie rijker. Maria trekt weer naar Brussel: ‘Mijnheer was vrederechter en madame was twintig jaar jonger. Geen kinderen. Nooit kleren moeten kopen, al wat mevrouw niet mooi vond was voor mij, het was er goed.’
Het einde van Maria’s jeugd kondigt zich aan als een Griekse tragedie: ‘Daar heb ik iets gedaan wat later mijn leven veranderd heeft.’ Maria correspondeert met een jongen die ze in Frankrijk ontmoet heeft. Hij wil daar weg. Maria zegt haar dienst op om te trouwen met die jongen die ze nauwelijks kent: ‘Zo ben ik aan een ander leven begonnen, te jong om alles te kunnen begrijpen, zonder raadgevingen die men zo nodig heeft. Het leven heeft hoogten en laagten, en wat ik schrijf is al zolang geleden, maar alles blijft in mijn gedachten rondzweven.’

Flor Vandekerckhove


(°) Johan Depotter. Onze IJslandvaarders. Deel 2. p. 245- 251.

(°°) Clara is de moeder van Toon Beuckels die zo goed was me kopie van de brieven te bezorgen.

zondag 30 mei 2021

Tom Waits, Charles Bukowski en ik





WAT EEN TRIO! En nochtans: zie ons hier verenigd, Charles Bukowski, Tom Waits en ik. ’t Is de poëzie die ons bijeenbrengt, meer bepaald The Laughing Hearth dat ik hieronder vertaal. Bukowski’s poëzie is een makkie om te vertalen — rijmschema’s, spitsvondige assonantie en andere poëtische technieken die het vertalen bemoeilijken, gaat hij uit de weg. Komt het daardoor dat ik al vijf Bukowskigedichten vertaald heb? ’t Is in elk geval daardoor dat Bukowski’s gedichten als een mokerslag aankomen. Bijvoorbeeld My Comrades, waarin hij de draak steekt met zijn collega-dichters. Van mijn vertaling (Mijn makkers) werd een podcast gemaakt, die valt hier↗︎ te beluisteren; mijn vertaling van Having The Flu With Nothing Else To Do kun je daar↗︎ nalezen (het origineel staat ernaast); Dus je wilt een schrijver zijn↗︎ hoor je me voordragen, terwijl het publiek luid dichter Bukowski toejuicht. En nadat hij er in dat gedicht alles aan gedaan heeft om je van het schrijverschap weg te houden, doet hij er in ’t volgende alles aan om je toch de stap te laten zetten, compromisloos, zoals dat bij een roeping past. Wil je me die vertaling horen voordragen, samen met Bono (!) die het origineel leest, klik dan op Werp de teerling↗︎. En nu dus The Laughing Hearth, dat Tom Waits in onderstaand filmpje voordraagt, broederlijk verenigd met mezelve die de Nederlandse vertaling voor mijn rekening neemt. (Flor Vandekerckhove)


Tom Waits en Flor Vandekerckhove in…
The Laughing Hearth
Het lachende hart

www.youtube.com/watch?v=JS4SmWh3ZFk

vrijdag 28 mei 2021

In het deurgat van ’t kasteel van Loppem



OP MIJN TOCHT door Vlaanderen — Brugge↗︎, Bornem↗︎, Dendermonde↗︎, Aalst↗︎, Geraardsbergen↗︎, Zarlardinge↗︎, Ronse↗︎, Kluisberg↗︎, Avelgem↗︎, Moerbeke↗︎, Menen↗︎, Ieper↗︎, Poperinge↗︎, Veurne↗︎, Rupelmonde↗︎, Alt-Hoeselt↗︎, Damme↗︎ passeer ik Loppem, waar ’t kasteel niet te negeren valt. Het kasteel van Loppem↗︎: zijn doolhof, zijn feestzaal, zijn geschiedenis, ik wil er iets over schrijven. Tijdens de voorbereiding valt me iets op, iets wat vandaag niet meer gedaan wordt: in ’t deurgat staan. Ge moet u de tijd proberen voor te stellen: er is geen internet, geen Playstation, geen televisie, er is niets. Dus gaan de mensen in ’t deurgat staan. Dat is zo in onze straat en zo is ‘t blijkbaar ook in kasteelmiddens. Ik dacht, terwijl ik daar toch passeer, ga ik me fotograferen terwijl ook ik in dat deurgat sta. Wegens openingsuren valt dat tegen, ik kan er alleen van over ’t water naar wijzen. Meer geluk hebben (op foto 1) de Spaanse diplomaat Pedro Saura, de liberale politicus Paul-Emile Janson↗︎ (midden) en de socialist Edward Anseele↗︎ (rechts). Zij komen er op ’t einde van de Eerste Wereldoorlog overleggen↗︎ met koning Albert I die daar woont. De koning staat niet bij hen in ’t deurgat, dat doet hij wel op foto 4, waar hij rechts te zien is, met naast hem, in ’t wit, zijn echtgenote, de koningin, en daarnaast de Franse president Raymond Poincaré (midden). Achter Pointcaré staat de jonge Leopold (later koning Leopold III) en helemaal achteraan in ’t deurgat (pijl) staat een figuur waarin ik mijn grootvader Edmond Vandekerckhove herken of toch iemand die daar zeer goed op gelijkt.


Prinselijk verhaal op youtube

www.youtube.com/watch?v=ECpk9gaUpNU

woensdag 26 mei 2021

‘Met het blauwe potlood volgen waar de hersenen met het aangeleverde naartoe willen.’

— Russell Edson, The Tunnel: selected poems. —


LITERAIRE grensgebieden, ik loop er graag in rond. Is zo’n ZKV van A.L. Snijders nog wel een verhaal? (Zijn ‘t veelal niet gewoon observaties?) En zo’n grol als de drabble van Monty Python, is dat wel literatuur? Is het werk van Charles Reznikoff poëzie of is ’t proza met lijnonderbrekingen? Zo graag toef ik in die grensgebieden dat ik er mijn eigen boompje plant: het provovers, vorm die al ’t voornoemde verenigt. En als ik in dat grensgebied iemand ontmoet die me op een jazzy brand of surrealism wijst, dan haal ik mijn stokpaardje van stal en onderneem vierklauwens een queeste naar een eigen variant die ik surrealisme light noem. 
’t Is op die queeste dat ik Russell Edson ontmoet. Zijn prozagedichten lijken verdomd goed op surrealisme. Wie het schildersambacht beheerst kan van al zijn stukjes een tableau maken dat als ’t werk van Dali oogt. Let wel: ‘lijken’ en ‘oogt’. Zelf zegt hij: 
‘Waarom zouden we surrealisten moeten zijn? Breton heeft onze verbeeldingskracht niet uitgevonden.’ En elders: ‘Een stukje moet niet alleen de logica van de taal hebben, maar ook de logica van de compositie. Automatisch schrijven begint nergens en eindigt nergens. (…) [Mijn werk] is geen écriture automatique. Het zoekt meer naar de vorm (…) Dit is anders dan het surrealisme …’. 
En toch. Dit is wat de door mij eveneens gewaardeerde dichter Donald Hall — ik vertaalde hier diens ‘Affirmation’ — over Russell Edson zegt: ‘Wat zijn schrijfwijze ook is, (hij) maakt surrealistische gedichten.’ En Lydia Davis, die me lang geleden al naar het werk van Edson geleid heeft: ‘Hij zou die verhalen gedichten noemen, maar dat zou ik niet doen. Het zijn bizarre kleine verhalen, absurd en vreemd.’ Ge ziet: wél surrealisme, géén surrealisme, wél gedichten, géén gedichten… We bevinden ons volop in mijn geliefde niemandsland. Ik haal The Tunnel (°) in huis, een keuze uit Russell Edsons werk.
Dat werk ziet eruit als proza, maar is het geenszins. In proza beleeft de protagonist een crisis die uiteindelijk in een oplossing resulteert (schema: protagonist - conflict - uitkomst.) De plot stuwt het verhaal en je gaat van minder naar meer begrip. Bij Edson is daarvan geen sprake. Ik vertaal diens In the Time of Commerce. (°°):
Tussen de man en de vrouw is een deel van de man, waarvan men dacht dat het een deel van de vrouw was, aan de man gegeven om terug te geven aan de vrouw in de tijd van hun nering.
Het raam wordt door maanlicht beschreven op de verderaf gelegen muur.
Het conflict blijft onopgelost, er is geen voortgang, geen uitkomst. Dit is geen prozaverhaal. Hetzelfde geldt voor De reden waarom de kastman nooit droevig is. (°°). Die titel suggereert dat het gebrek aan verdriet verklaard zal worden. Maar wat volgt is een reeks mislukkingen bij het begrijpen van zowel de vragen als de antwoorden. Op ’t einde staan we nog altijd even ver. Ook dit is geen prozaverhaal.
Russell legt ons zelf uit wat er aan de hand is. Proza wordt in het bewustzijn gemaakt, wat hij schrijft komt van elders, hij heeft het over zijn ‘droombrein’: ‘Poëzie is nooit comfortabel in taal’ zegt Edson, ‘omdat het onbewuste niet kan spreken.’ Hij weet vooraf niet wat hij gaat ophoesten: 
‘Ik ga zitten om te schrijven met een lege pagina en een lege geest. Ik volg met het blauwe potlood (…) waar het orgaan van de werkelijkheid [de hersenen] met het aangeleverde naartoe wil. En de poëzie opent zich plots in taal. Het is altijd een ontdekking van iets wat onbekend is en ongepland.’ En wat hij ook zegt: ‘In de eerste plaats schrijf ik om vermaakt te worden. Dat betekent verrast. (…) Voor mij is het gedicht zelf, het schrijven ervan, de ervaring (…). Om Robert Bly te citeren, of de kapitein, zoals ik hem graag noem: "In de kunst wil ik het 'onbekende' naar mij zien kijken." Ik wil dit ook, vooral in mijn eigen werk.’


[Veel van wat hierboven staat, haal ik uit (1) Mark Tursi. A interview with Russell Edson en (2) Why the Reader of Good Prose Poems is Never Sad van Sarah Manguso.]

(°) Russell Edson. 1994. The Tunnel: selected poems. Oberlin College Press, Oberlin USA. 232 pp. ISBN 978-0-932440-66-2.

(°°) ‘Twee prozagedichten van Russell Edson’ die ik hier vertaal.


Ik neem de proef op de som, 

en jawel, 

de methode van Edson Russell 

werkt wel degelijk, ook in een provovers.


avondlied

www.youtube.com/watch?v=A7l2YaxcKBA

dinsdag 25 mei 2021

Russell Edson: ’Gewoon blij dat ik schrijf’



DE AMERIKAANSE dichter Russell Edson is een man naar mijn hart. Ik ben een mini-essay over hem aan ’t schrijven (morgen op dit scherm) waarin ik mijn enthousiasme verklaar. Ook omwille van zijn levensstijl is hij een man naar mijn hart: 'Ja, eigenlijk ben ik ietwat een kluizenaar. Omdat ik een beetje een kluizenaar ben, heb ik mezelf nooit als marginaal of mainstream beschouwd, ik ben gewoon blij dat ik schrijf. De literaire gemeenschap is in belangrijke mate een sociale club. In plaats van te socialiseren kweek ik liever paddenstoelen in de grot van mijn gedachten en communiceer met vleermuizen die in mijn gepersonaliseerde klokkentoren wonen. Helaas is poëzie nu een sociale club. Je moet niet alleen schrijven, je moet ook een sociaal wezen zijn. Het sociale deel is waarschijnlijk het belangrijkste. Wie een prettig persoon is, hoeft zelfs niet echt goed te schrijven om een ​​schrijfcarrière te hebben.’ Het hadden mijn woorden kunnen zijn.
Morgen meer.
(
Flor Vandekerckhove)

zondag 23 mei 2021

Barst in de stolp

— Links: Robert Jasper Grootveld in 1964, voorloper van Provo, beweging die zijn acties aan het Lieverdje vervoegt, daarna vervoegt Grootveld Provo. Midden: Bertrand Russell, boegbeeld van het naar hem genoemde International War Crimes Tribunal. Het is ook in die tijd dat Waarom ik geen christen ben van Bertrand Russell semi-clandestien van hand naar hand gaat onder jonge katholieken. Rechts: Tariq Ali getuigt op het Russeltribunaal, still uit de film van Staffan Lamm. —


'Als ik denk aan mijn schoolgaande jeugd.'
Raymond van het Groenewoud

Mijn jeugd in Vlaanderen speelt zich af onder een stolp. Stolp is goed, hij beveiligt. Stolp is ook slecht, hij belemmert. Leven onder zo’n stolp is een variante op The Truman Show. Net als Truman groei je op onder de koepel van een soort Seahaven. Je weet van niet beter, alleen is er af en toe iets wat zegt: dit is niet echt. In de The Truman Show is dat bijvoorbeeld een studiolamp die accidenteel uit de hemel valt.
De studiolamp die destijds vlak naast mij komt te vallen, heet Russell Tribunaal (1966-67), zo genoemd naar de iconische pijprokende filosoof. Provo, dat een beetje eerder is, kan men onder die stolp nog als kwajongensstreken wegzetten, Russell daarentegen veroorzaakt een barst die groot genoeg is om mij door te laten. Ik kan ontsnappen! Daar moet ik weer aan denken terwijl ik een in memoriam over Ernie Tate (1934-2021) lees, een geestesgenoot. Die heeft een boek (°) over zijn activisme geschreven, waarin hij het ook over dat Russell tribunaal heeft. Op de inmiddels van 't net verdwenen site van wijlen Louis Project (†) las ik erover:
Ernie verhuisde naar Londen om er te helpen een trotskistische partij op te richten. Daarin was de opbouw van de Vietnam-anti-oorlogsbeweging belangrijk en het rekruteren van activisten die door de protesten radicaliseerden. Voor Ernie Tate betekende dit: nauw samenwerken met het Russelltribunaal. Tate schetst in zijn memoires zorgvuldig portretten van Russell en diens secretaris Schoenman, de eerste als een moreel voorbeeld dat zich volledig inzet voor de bevrijding van het Vietnamese volk en de tweede als een natuurkracht die het hoofd biedt aan obstakels die het Tribunaal in de weg staan. Schoenman kreeg ook te maken met allerlei interne problemen. Moeilijke persoonlijkheden die aan het tribunaal deelnamen vlogen elkaar vaak naar de keel, waaronder Jean Paul-Sartre die altijd bereid was aan iets aanstoot te nemen, al was hij ook degene die het meest geneigd was aanstoot te geven. Isaac Deutscher was onmisbaar om daarin een matigende rol te spelen. Als een van de meest gerespecteerde marxisten ter wereld en als journalist wiens inzichten universeel werden gerespecteerd, maakte zijn ervaring met de interne strijd van de trotskistische beweging hem uitermate geschikt om geschillen binnen het tribunaal op te lossen.
(°) Ernie Tate. Revolutionary Activism in the 1950s and 60s. Resistance Books, 2014. London (2 delen).

Ik zag het legervisioen

www.youtube.com/watch?v=n1yn0z2pwyk

vrijdag 21 mei 2021

Kinderbos der doden



Van Franz Wright heb ik eerder al gedichten vertaald: Bees of Eleusis↗︎ en Home for Christmas↗︎, nog enkele korte fragmenten↗︎ uit Kinderotenwald, prozagedichten die veelal cirkelen omheen de moeilijke verhouding van Franz met zijn vader, ook een dichter nota bene. En van die vader, James Wright, vind je in de blog ook een vertaling: Lying in a Hammock at William Duffy’s Farm in Pine Island↗︎. Maar nu weer de zoon. De wereld die hij in dit prozagedicht oproept, heeft iets van doen met deze die Salvator Dali in bovenstaand schilderij aankondigt: die van Franz is er namelijk het volstrekt tegengestelde van. (Flor Vandekerckhove)

Can you say that again komt uit Kindertotenwald. Franz Wright. Prozagedichten. 109 ps. Alfred A. Knopf New York. 2013. 

woensdag 19 mei 2021

Cluytspeelder sticht verwarring in Damme

— Links Jacob van Maerlant en ik; midden de grafplaat in de toren van de kerk; rechts Tijl Uilenspiegel en ik. —


[De winter is vergangen en ik ga weer op zoek naar de Vlaamse identiteit waarover nationalisten het altijd hebben. Of ik die ook vind kunt u zelf nagaan als u de in blauw gemarkeerde plekken aanklikt, startend in Brugge↗︎ en rondtrekkend via Bornem↗︎, Dendermonde↗︎, Aalst↗︎, Geraardsbergen↗︎, Zarlardinge↗︎, Ronse↗︎, de Kluisberg↗︎, Avelgem↗︎, Menen↗︎, Ieper↗︎, Poperinge↗︎, Veurne↗︎, Rupelmonde↗︎, Alt-Hoeselt↗︎. En nu Damme.] 

Baat het niet, dan schaadt het niet. Dus laat ik me samen met Jacob van Maerlant vereeuwigen, ‘vader der Dietse dichtren algader’ en dus ook van mij. Ik vind dat we zelfs een beetje op elkaar lijken, ge moet maar eens naar de foto (links) kijken. Dat standbeeld staat in Damme, waar Jacob omstreeks 1300 begraven wordt; niet op ‘t kerkhof, gelijk gij en ik, maar ín de kerk. De oorspronkelijke grafplaat vermeldt: Uil en Spieghel, (°) da’s natuurlijk om moeilijkheden vragen. Tegen dat we vierhonderd jaar verder zijn, denkt iedereen dat Tijl Uilenspiegel daar begraven ligt. Het wordt zelfs met zoveel woorden in de grafplaat gebeiteld: ‘Ghy voorbygaender, staet, siet hier Uylenspieghel; bidt Godt voor hem, hy was een recht cluytspeelder’
Omdat cluytspeelders — dat is ook vandaag nog zo — meer volk trekken dan dichters, ontstaat een ware cultus die volgens meneer pastoor uit de hand loopt. Om ervan af te zijn, keert hij de steen om en omdat de pelgrimages ook dan nog aanhouden, verkoopt hij hem in 1829 aan een marmerwerker die daar wel weg mee weet. Enter Charles De Coster, een vrijzinnige liberaal die — alleenlijk om pastoors te kloten — een boek schrijf waarin Tijl in Damme geboren wordt. De verwarring neemt toe, de onduidelijkheid vergroot, de tweespalt vermeerdert, de twistgesprekken breiden uit, de spanning stijgt, de heibel ontspoort, de trammelant rijst alsmede de bonje, de wrijving groeit aan… Er moet iets gebeuren.
Omdat de horeca het zo al moeilijk genoeg heeft, ordonneert men in Damme dat er plaats is voor zowel Jacob als Tijl en dat beiden recht op een eigen standbeeld hebben. In de kerktoren leest een nieuwe grafplaat (foto midden) overduidelijk: ‘Hier ligt Jacob van Maerlant begraven’ — waaronder te verstaan: en niemand anders — en langs de vaart houdt Tijl Uilenspiegel in een versie van beeldhouwer Jef Claerhoudt (foto rechts) iedereen de spiegel voor. En zoals ge ’t op de foto ziet: un cluytspeelder peut en cacher un autre.

(°) Waarom ‘uil’ en ‘spiegel’ in woord en/of beeld op de grafplaat voorkomen, is een vraag die anderen uiteraard al eerder gesteld hebben. Zo ook Jan Hutsebaut in Uilenspiegel in Damme (Rond de Poldertorens, 2018). Hij is zo vriendelijk me zijn werkstuk (15 pp) op te sturen. Ik leid eruit af dat de grafsteen in 1584 in dermate slechte toestand verkeert dat alle daarna volgende getuigenissen betreffende het erop voorkomen van uil en spiegel eronder lijden (nog moeilijk te lezen tekst, moeilijk te interpreteren afgesleten beeld.)

En alsof dat alles nog niet genoeg is:
John Lennon leeft!

https://www.youtube.com/watch?v=IUPHSfzUfOs

maandag 17 mei 2021

Wie Oufti zegt, denkt ouvreuse



ouvreuse

het rokje van de ouvreuse streelt mijn hand op de leuning
ik ga rechtop zitten en zie dat Tania naar haar iPhone kijkt 
zij maakt deel uit van de nieuwe eeuw
maar ik kijk in de korf van de ouvreuse
en ontwaar meteen de onnavolgbare verpakking 
van het typische cinemasnoepje 
dat ik al zo lang moet missen
Oufti  
kopen is er helaas niet bij
na de voorstelling worden we aangesproken door het meisje 
dat in de zaal vlak naast me zat
zij vond de film maar niets
als ze weg is zeg ik tegen Tania 
als ouvreuse was ze beter