zaterdag 6 juni 2015

Het nachtboek, een literair genre

In dit nummer van de Night-Walker:
'Nachtelijke zwerftochten op zoek naar
schandelijke vrouwen.'
In 1700 wonen er ongeveer 550.000 mensen in Londen. De stad heeft daarmee Parijs van de troon gestoten als de grootste Europese stad. Het Londense West End wordt gekoloniseerd door de aristocratie en het gepeupel leeft in ‘t zuiden en in ‘t oosten. Rond die tijd wordt ook de straatverlichting in Londen geïntroduceerd, een vernieuwing die grote economische en culturele gevolgen heeft. De walvisvaart explodeert, want de vraag naar lampenolie die uit die beesten geproduceerd wordt is immens. Herman Melville schrijft Moby Dick, een meesterwerk over die sector: ‘Maar al kijkt de wereld op walvisjagers neer, toch bewijst ze ons onbewust de hoogste eer, ja, een alles te buiten gaande verering! Want bijna alle pitten, lampen en kaarsen die rond de aardbol branden, branden, als voor evenzovele altaren, tot onze glorie!’ Er zijn nog gevolgen: de stad kent een explosie van nachtelijke activiteiten, waarvan er veel het daglicht niet mogen zien. Er ontstaat zelfs een nieuw literair genre.
Moralisten veroordelen de vele voze nachtelijke praktijken die nu in de stad te zien zijn en geven daarmee inderdaad geboorte aan een nieuwe soort literatuur: het nachtelijke schelmenverhaal. Ze beschrijven nauwgezet de plaatsen in de stad waar snode activiteiten plaatsgrijpen. Hun literaire productie wordt daarom ook wel met het dagboek vergeleken, zij schrijven de duistere variant ervan, het nachtboek. Zo’n auteur trekt ‘s nachts de stad in en vertelt overdag wat hij op zijn weg ontmoet heeft. En da’s niet weinig. De olielampen mogen licht van een bedenkelijke kwaliteit afscheiden, ze maken het zo’n nachtelijke wandelaar wel mogelijk om datgene te zien wat anders in het donker verborgen blijft. Dunton is zo’n auteur. In Londen geeft hij het tijdschrift The Night-Walker uit. Hij trekt er ’s nachts op uit en bezoekt speelholen, muziektenten, kroegen en huizen van plezier. Wat hij veelal ziet is dit: aristocraten verlaten des nachts hun veilige West End en trekken naar de volksbuurten om er hun lusten te bevredigen. Moralist als hij is klaagt hij dat in zijn tijdschrift aan: ‘Some of you value your selves as being the Representatives of Ancient and Noble Families; but by the Methods which you take, you will deprive your Posterity of those Pretensions, for you give your Ladies occasion to repay you in your own Coin.’ Maar Dunton heeft een duister kantje, zoals dat wel meer het geval is bij moraalridders. Net als de aristocraten die hij aanklaagt, trekt ook hij de nacht in. Net als degenen wier gedrag hij verwijt zoekt hij uit hoe ver hij daarin kan gaan. En wat voor de schrijver geldt, geldt ongetwijfeld ook voor zijn lezers. De morele verontwaardiging volgt pas na de beschrijving van de seksuele kicks. Zowel de auteurs van het genre als de lezers penetreren via die nachtboeken de verboden hoeken en kanten van de stad. In het nieuwe genre dat zo gecreëerd wordt is de genotzucht niet van het moralisme te scheiden. Maar wat ik eigenlijk zeggen wil is dit: Matthew Beaumont heeft zopas over het verschijnsel een boek gepubliceerd. Daarin staat uiteraard veel meer dan wat ik er hierboven uit isoleer, want nachtwandelaars zijn er ook vandaag nog en er zijn er in alle maten en gewichten. Meer daarover vind je hier.
Flor Vandekerckhove


Wannes Van De Velde - Ik wil deze nacht in de straten verdwalen - 1997


Een reactie plaatsen