donderdag 25 juni 2015

Barbara

De scheepvaartpolitie kwam vragen of ik iemand gezien had; een jonge vrouw. Het havengebied was in die tijd nieuw voor me, ik was me nog aan 't installeren, en neen, ik had niemand gezien. Die avond ging ik voor ’t eerst een glas drinken in café Middenclub en daar vernam ik dat die gezochte vrouw iemand uit Ghyvelde was, een buurdorp van het Franse Bray-Dunes. Men zocht haar in verband met een verdrinking. Veel meer wilde men er in dat café niet over vertellen.
Hoe laat kwam ik die avond thuis? Erg laat kan ’t niet geweest zijn, want de Middenclub sluit vroeg de deuren. Maar ’t was wel pikkedonker en ’t was vooral erg koud. Ik was al bijna bij de deur toen ik haar op de stoep zag zitten. Ze was doorweekt en rilde van de kou. Omdat ik niet over haar heen kon stappen en omdat ze naar me opkeek als een geslagen hond, liet ik haar binnen. ’t Is niet dat ze me, doorweekt als ze was, aan een jonkvrouw liet denken, maar de ridder in mij kwam toch pijlsnel naar boven. Ik formuleerde enkele algemeenheden, maar zij kon alleen klappertanden. Ik pookte het vuur op, haalde handdoeken uit de kast en liet het bad vollopen. Ze keek me dankbaar aan toen ik haar in de badkamer achterliet. Een halfuur later had de kachel zijn warmte in heel het huis verspreid.
Toen ze uit het bad kwam was ik warme melk in twee kommen aan ’t gieten. Ze had een metamorfose ondergaan. Ze droeg mijn badmantel en om haar ravenzwarte haar had ze een handdoek gewikkeld. Ze heette Barbara, maar ik mocht Babbe zeggen. Ja, ze kwam uit Frankrijk, maar ze sprak wel Vlaams. Ja, ze werd door de politie gezocht, maar ze was onschuldig. De warme melk deed zijn werk. Babbe kreeg een kleurtje, zakte onderuit, werd heel rustig en, terwijl ze lieflijk naar me bleef lachen, viel ze langzaam in slaap. Ik legde een deken over haar, draaide het licht uit en ging naar bed.
Ik schrok wakker toen ze boven op me zat. Naakt. Ze legde haar vinger op mijn mond, bewoog haar kont ritmisch heen en weer en zegde: ‘Hoe dieper hoe meer.’ Ik besefte dat mijn pik diep in haar zat en dat hij overmatig groot was — Hoe dieper hoe meer. Haar kutje was strak en buitensporig nat en terwijl ze bleef bewegen zei ze heel de tijd: ‘Hoe dieper hoe meer; hoe dieper hoe meer.’ Ik begreep niet goed wat ze daarmee bedoelde, maar de situatie was dan ook te complex om er eens goed over na te denken. Ik gaf me compleet over aan ’t gebeuren. En terwijl ze ’t nog een keer uitschreeuwde — HOE DIEPER HOE MEER! — kwamen we samen klaar. Waarna we tegelijk in slaap vielen.
Toen ik wakker werd was ze verdwenen. Dat was maar goed ook, want die dag zou mijn echtgenote mij daar komen vervoegen. Ik ververste de lakens en zette het raam wijd open, want in de kamer hing een merkwaardige geur, een melange van geil & zeewier, die ik ook van mij af probeerde te schrobben. 
In de Middenclub las ik de krant die verslag uitbracht van de zoektocht naar Barbara Rohère, alias Babbe Roere. Ze werd verdacht van meerdere moorden op garnalenkruiers die ze almaar verder in zee gelokt had onder de belofte dat ze daar méér garnaal zouden vangen. (Hoe dieper hoe meer!) Toen ik het stuk gelezen had daalde een onverklaarbare vermoeidheid over me neer. ‘Geeft niet, jongen’, zei de waardin, ‘welkom in de club. We hebben het allemaal meegemaakt. Je hebt de eeuwige kruwer ontmoet.’ Ik keek om me heen en zag overal grijnzende smoelen. Blijkbaar wist iedereen wat er in mijn slaapkamer gebeurd was. ‘Ja maar,’ zei ik, ‘die eeuwige kruier… dat was een meisje’. Daar moesten ze allemaal om lachen. ‘Soms een kraai, soms een man, soms een oude vrouw, soms een meisje’ zei de waardin, ‘maar altijd leiden ze je naar de dieperik, met de woorden hoe dieper hoe meer!’ Ik besefte nu wel dat het meisje een val had opgezet en dat ik er met open ogen ingelopen was; een val waaruit ik niet gered kon worden. Ze had me dieper en dieper geleid en ik was haar gevolgd. Vertwijfeld keek ik naar buiten en door het raam keek ik recht in de ogen van mijn echtgenote. Haar blik zegde me dat het over was, ons huwelijk.
Flor Vandekerckhove


[Deze vertelling past in een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie op verhalenproject klikt, wordt in de blog naar verschillende voorbeelden geleid.
Bovenstaand verhaal is gebaseerd op een folkloristische vertelling over ‘de eeuwige kruwer’, een geest, gedoemd om ten eeuwigen dage met een steek- of treknet op garnaal te vissen. Onder de lokroep Hoe dieper hoe meer verleidt hij andere garnalenvissers die zich daardoor te ver in zee wagen en zodoende aan hun einde komen. Het verhaal is erg bekend aan de Westkust en in ’t noorden van Frankrijk. In de Garnaalstoet van Oostduinkerke loopt een reus mee die op de figuur van Babbe Roere gebaseerd is. In haar hand draagt ze een kraai, want dat is een van haar verschijningsvormen.
Kruwer is wellicht het dialect voor kruier. Heel zeker weet ik dit niet, want het Oostends woordenboek van Roland Desnerck (ed.1988) vermeldt kruwer wel, maar geeft er geen Nederlands synoniem voor. Wie evenwel kruier op Google intikt komt volop bij echte kruwers terecht.] Roland Desnerck reageerde inmiddels op dit stuk: 'In mijn uitgave Oostends Woordenboek (2006) staat er:  kruuwer, strandgarnaalvisser. Maar "strandvisser" zou al genoeg zijn want bij pêrdekruuwer lees je "strandvisser te paard", ook pêrdekarter. In mijn "Grenzeloos Oostends" (2014) vind je heel wat uitleg over de kruuwers of "strandvissers", nl. de etymologie:  uit "kruien" en ouder "cruden". Zo wordt duidelijk dat kortewaagn volksetymologisch uit kordewagen komt en dat uit crudewagen. Niet te geloven, maar "kortewaagn" en "kruiwagen" hebben dus dezelfde oorsprong. Meer details, ook over het kruuwn zelf op blzn 177 (kortewaagn) en 185 (kruuwn) van bovengenoemd boek.']
Een reactie posten