zaterdag 20 juni 2015

Ananas!

[Dit is een passage uit mijn roman Amandine (2012). We bevinden ons voor de poort van het aan de kust erg bekende instituut IBIS. Daar krijgen weeskinderen, en kinderen uit gezinnen die het moeilijk hebben met de opvoeding, een opleiding die hen naar een maritiem beroep leidt: visserij, marine, zeevaart… Het is 1968. De leerlingen wachten op het bezoek van Prins Albert. Een leerling, Kozzen, is er niet bij. Hij is de voorgaande avond uit IBIS ontsnapt. Voor dit verhaal heb ik de tekst enigszins aangepast en ook wel ingekort, maar het blijft natuurlijk wel een lange tekst. Ik verontschuldig me daarvoor. Anderzijds is het zo dat hij niet in de blog mocht ontbreken.]


Leerlingen van Ibis vormen de erehaag bij hoog bezoek aan Oostende. In dit geval gaat het om de sjah van Iran. De foto
dateert van 1960. Onderstaand verhaal speelt zich af in 1968 en het verwachte bezoek is dat van prins Albert.

De spanning stijgt. Wij, de leerlingen van IBIS staan perfect in het gelid, de jantjes van het eerste jaar vooraan en zo verder volgens leerjaar, leeftijd en lengte: zeemaats, lavers, scheepsjongens, lichtmatrozen, matrozen, cadetten en aspiranten; een opgaande rij van matrozenpotsen, via de laatstejaars tot uiteindelijk bij mij, de hekkensluiter, de oudste en langste leerling, degene die daar gezien zijn leeftijd eigenlijk niet meer thuishoort.
We bewegen niet. Uit onze ooghoeken speuren wij de linkerkant van de straat af, de richting van waaruit het prinselijk bezoek zal opdagen. Vlaggen wapperen in de wind. Veel kepies. Veel marineblauw. Veel strepen. Veel witte handschoenen. Veel wind ook die uit het zeegat waait. De fanfare van de zeemacht. Journalisten. De notabelen houden de blik op het straateinde gericht en dan weer op hun polshorloge. Ze ijsberen. De buren hebben de driekleur uitgehangen en ze zitten aan hun voordeur, welgemutst, een ijsje likkend, de gebeurtenissen af te wachten. Sommigen zwaaien met papieren Belgische vlaggetjes. Kozzen ontbreekt op het appel. Niemand weet waar hij is. Deze morgen had ik hem nog op de slaapzaal gezien, maar nu is hij weg. 
Is dat het loeien van sirenen? Is dat het geluid van de motoren? Is het de escorte?  Is de prins op komst? De spanning stijgt. Iedereen recht de rug. Het geluid groeit aan. Het lijkt wel op gejoel. En vreemd genoeg komt het met de zeebries aangewaaid van rechts, vanuit Oostende, daar waar we de prins en de zijnen van links, vanuit Brugge, verwachten. Er zit ritme in het geluid dat over de brug op ons aangewaaid komt, een cadans. De spanning stijgt in de overtreffende trap. Iemand roept: ‘Is het van rechts of is het van links?’ Hoofden gaan bruusk van links naar rechts en weer terug. Het volk begint te joelen. Van over de brug horen we een door een megafoon versterkte stem die ons door de wind toegewaaid komt. We horen hoe de megafoonstem een vraag uitschreeuwt: ‘…AANDEREN?’ En die stem wordt beantwoord door wel duizend andere: ‘VLAAMS!’ Nu klinkt de megafoon veel duidelijker: ‘IN VLAANDEREN?’ De massa antwoordt: ‘VLAAMS!’ Over de brug komt godver onverwachts een betoging op ons afgestapt die heel de straatbreedte bezet. Vooraan op de eerste rij lopen de oudste leerlingen van het college, arm in arm, en in het midden van die rij loopt, goed herkenbaar door zijn kaalgeknipte hoofd en zijn marine-uniform, breed lachend, onze Kozzen, terwijl hij de megafoonvraag (‘IN VLAANDEREN?’) luidkeels op zijn eigen wijze beantwoordt. ‘SPAANS!‘
Ook uit de vakschool is een flinke delegatie present en zelfs enkele meiden van het lyceum hebben de lokroep van de straat beantwoord. Allen hebben ze gehoor gegeven aan de agitatoren die van de Katholieke Universiteit Leuven een Vlaams bastion willen maken. De betoging overspoelt de straat. De buren halen vlug de stoelen binnen, terwijl de eerste eieren al de driekleur aan hun gevel treffen. In de verwarring begint de fanfare de eerste noten van de Brabançonne te spelen, waarop de betoging zich tegen de muzikanten keert die hun instrumenten achterlaten en het hazenpad kiezen.
Als een tsunami spoelt de massa de zorgvuldig opgestelde rijen weg waarmee we verondersteld werden prins Albert en zijn gevolg te verwelkomen. Witte matrozenpotsen doorklieven de lucht. De opvoeders openen de poort en manen ons aan vlug naar binnen te vluchten, maar daar is geen sprake van. Uit duizend kelen rond mij klinkt ‘WA-LEN-BUI-TEN-WA-LEN-BUI-TEN’, terwijl ik samen met mijn medeleerlingen opgenomen word in de massa. Aangevuld met tientallen leerlingen van IBIS die er een buitenkans in zien eens de stad in te gaan maakt de massa een omtrekkende beweging op het plein voor de school en stuwt de deinende stoet ons de brug over, richting stad.
Nog één keer kijk ik om naar IBIS waarin ik grootgebracht werd. Het plein ligt er chaotisch bij. Omgeduwde dranghekkens, witte kepies die achtergelaten werden en op de rode loper ligt een halflege frietzak met mayonaise. Ik zie gescheurde papieren vlaggetjes, een driekleur waarvan het eigeel over de gevel van de buren druipt. Aan de schoolpoort zie ik radeloze notabelen die verschrikt toekijken hoe de prinselijke escorte nu toch van links het plein op komt gereden. Daarna volgen wel tien zwarte, glimmende wagens. En dan ontneemt de voortschrijdende betoging mij het uitzicht op IBIS dat ik nooit meer zal weerzien.
De wezen worden gaandeweg tot helden van de betoging uitgeroepen. We worden enthousiast naar de kop gestuwd en na enige tijd wordt de eerste rij volledig gekleurd door onze blauwe marine-uniformen. Tactisch goed gezien van de organisatoren, want geen enkele politieagent zal het aandurven in te hakken op de wezen van IBIS, die al sinds mensenheugenis op de compassie van de hele Oostendse bevolking kunnen rekenen.
Ik loop naast Kozzen. We omarmen elkaar kameraadschappelijk.  We lachen de lach van de jeugd, terwijl de wind over ons kaalgeschoren hoofd waait. We zijn vrij! We horen de megafoonstem die de massa vraagt: ‘SUENENS OF BARABAS?’ Het antwoord is even kordaat als massaal: ‘BARABAS!’ Behalve bij Kozzen die luidkeels lachend ‘ANANAS!’ roept, een antwoord dat ik prompt overneem en met mij de hele eerste rij betogers van IBIS. En hoe meer we de stad naderen, hoe meer betogers onze versie van de slogans overnemen. Tegen de tijd dat we in Oostende de Tettenbrug oversteken, zijn onze ordewoorden deze van de hele betoging geworden. Langs de straatkant staan burgers verbaasd te kijken hoe een duizendkoppige menigte van jongeren, tieners en kleine kinderen, schreeuwend voorbij stormt, aangevoerd door blauw geüniformeerde wezen, sommige nog dik van het babyvet. IN VLAANDEREN? SPAANS! SUENENS OF BARABAS? ANANAS!
Vele wezen uit IBIS trekken er voor het eerst in hun leven onbewaakt op uit, zeker de allerkleinsten. De vrijheid geeft hun vleugels en alhoewel ze improviseren lijkt het erop dat ze exact weten waar ze naartoe trekken. Ik heb er later veel aan teruggedacht, aan dat moment waarop zo’n massa een eigen intelligentie ontwikkelt. Het was immers niet de leiding van de betoging die het parcours bepaalde, evenmin was het Kozzen en het was zeker niet ikzelf. Het was de massa zelf die als water de weg zocht die haar voort kon stuwen naar het einddoel dat elk van ons onbekend was.
Wij, de wezen van IBIS, de paria’s van het onderwijs, beleven een uitzonderlijk moment. En we gedragen er ons naar. Vooral door onze aanwezigheid ontspoort de betoging. Her en der sneuvelt een ruit. De agitatoren uit Leuven verliezen de controle. Een groepje slaagt erin de megafoon te bemachtigen. De Leuvense studenten durven het ding niet terug te vragen, ook al omdat ze de toorn vrezen van de meiden van het lyceum die hun prille moederlijke gevoelens voor de wezen niet onder stoelen of banken steken. De wezen van hun kant laten zich deze moederlijke gevoelens welgevallen, want sommige meiden hebben al tieten.
Een van de allerjongsten, een jantje van zeven, neemt de ordewoorden van de betoging in eigen handen. Alleen is het zo dat hij de politieke aspiraties van de manifestatie niet begrijpt, daar is hij te jong voor en in IBIS leven we een bestaan dat afgesneden is van de maatschappelijke realiteit die de betoging tot bij de poort gebracht heeft. Door de megafoon galmen nieuwe ordewoorden over de stad, die in onze oren veel juister klinken. Als het antwoord ananas is dan moet de logische vraag iets zijn als: ‘Meloenen of ananas?’, een slogan die daarenboven het voordeel heeft dat ze echt wel beantwoordt aan de verzuchtingen van de leerlingen van IBIS, die hun dessertkeuze luid over de stad willen laten weerklinken.
Ook de andere slogans worden op die manier bijgewerkt, zodat ook daar enige logica in komt, althans voor wie in IBIS geïsoleerd heeft moeten leven. Weer klinkt het gepiep van de hoge, iele knapenstem over de stad: ‘In Spaanderen?’ Het antwoord van de massa scholieren wordt nu bijzonder logisch: ‘Spaans!’ Ja, zo klinkt het allemaal veel beter.
Van de Tettenbrug gaat het naar beneden, waar we met duizend scholieren de roze wijk van het Hazengras overspoelen. In het voorbijgaan roepen we de raamprostituees op om solidair te zijn en het werk neer te leggen. Uit de megafoon klinkt niet langer Walen buiten, maar wel: ‘HOE-REN-NAARBUI-TEN, HOE-REN-NAARBUI-TEN.’  De Leuvense flaminganten, herkenbaar aan de studentenpetten, vrezen terecht voor hun reputatie. Ze proberen de betoging weer in handen te krijgen en dus weg uit de hoerenbuurt, maar daar is het nu te laat voor. Deze vrijheid laat niemand van ons zich nog afpakken. Twee prostituees die vanachter hun raam tevoorschijn komen, worden door de leerlingen van IBIS op de schouders gehesen. Ook zij scanderen, vuist in de lucht, maar met een vreemd accent, onze slogans mee. De megafoostem wordt weerkaatst door de gevels van de bordelen. MELOENEN OF ANANAS? En de twee hoeren antwoorden samen met duizend scholieren wildenthousiast: ANANAS!
De betoging vloeit als water verder, in de richting van het station. Terwijl we dat naderen, zien we hoe de Rijkswacht te paard het Stationsplein bezet houdt. Overvalwagens. Rijkswachters met honden. Ohlalalala!  Enkele honderden meters scheiden ons van de colonne rijkswachters die ons als boosaardige, zwarte ridders staan op te wachten; wij wezen, wij die weerloos zijn. Enkele elfjarigen uit IBIS, die als wees niet weten wat het betekent de toorn van de vader op te roepen en dus evenmin weten dat je zo’n rijkswachter best niet teveel uitdaagt, doen het toch en tonen in een meesterlijke provocatie hun blote gat, terwijl ze een batterij scheldwoorden afvuren die de Leuvense studenten nooit eerder gehoord hebben. De paarden steigeren. De honden blaffen. De gendarmes snuiven. Vooraan, tien meter voor de betoging, zwaait een hoer, getooid met een matrozenpots van IBIS en met ontblote borst, als ware ze de maritieme Marianne, de leeuwenvlag, terwijl ze in haar al te korte rok het zwarte Rijkswachtleger luidkeels toeroept: ‘ANANAS!’
Kozzen neemt me mee naar achteren. ‘Dat komt nooit meer goed,’ zo zegt hij lachend, ‘wil jij nog terug naar IBIS?’ Neen, dat wil ik niet. ‘Ik wist het,’ antwoordt hij. Samen klimmen we over de omheining en lopen we de sporen op. Alle aandacht van het personeel is op de betoging gericht en vooral op de kont van de hoer die met het Vlaamse vaandel zwaait. Ongezien slagen we erin tot bij het perron te komen waar een trein vertrekkensklaar staat. We gaan aan boord. Een fluitsignaal. De trein vertrekt. We laten het raam zakken en roepen nog één keer zo luid we kunnen ‘MELOENEN OF ANANAS?’ Aan de andere kant van de spoorwegomheining wordt onze vraag door de betoging opgevangen. De leerlingen van IBIS kijken onze richting uit en zwaaien ons vervolgens wildenthousiast toe terwijl ze de omheining bestormen. Oorverdovend is hun antwoord: ‘ANANAS!’ Ze zijn trots op ons omdat we zijn kunnen ontsnappen, wat voor hen de belofte inhoudt dat ook zij ooit eens IBIS zullen inruilen voor het vrije leven. Ze zullen er hun donkerste dagen mee kleuren, terwijl in hun kaalgeknipte hoofden een eigen plan zal rijpen, hun eigen ontsnappingsplan.  Kozzen en ik zwaaien tot wanneer we hen niet meer kunnen zien. En dan laten we ons zakken op de bank. Mijn enige bezit bestaat uit het matrozenuniform dat ik draag.
Deze morgen stond ik nog in de rij, gedrild als een soldaat, gebrandmerkt als een nummer, meningloos en zonder stem de prins op te wachten en enkele uren later was ik een outlaw geworden. Nooit voorheen had ik me zo gelukkig gevoeld als tijdens dat moment dat ik haveloos het station van Oostende uitreed.
Flor Vandekerckhove 

[En op een podium vervolgt het aldus: 'En zo komt het, geacht publiek, dat je in het visserskwartier ook vandaag nog de vraag hoort stellen… Je hoort het in portieken en achterkeukens, in zolderkamers en kelders, in eetkamers en in kamers voor reizigers, in feestzalen en vooral in eetgelegenheden… Je hoort de vraag stellen… Meloenen of ananas? En vervolgens hoor je hoe het antwoord hoog boven de daken stijgt en zich verspreidt over de stad… Het antwoord dat ook wij nu luid laten weerklinken en dat luidt: ANANAS!']

Een reactie plaatsen