vrijdag 12 juni 2015

Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!

De bijdrage van de visserij aan de Vlaamse cultuur is fenomenaal. Neem nu het woord vort. Afgeleiden zijn plukkevort, vortzak, vorte leugenoare, vorte vis… Daar valt veel over te vertellen, maar heden beperken wij ons tot de alom bekende uitdrukking: hoe vorter de vis, hoe groter de versterving; een veelgebruikt spreekwoord waarin het West-Vlaamse vort centraal staat. Ook u hebt zich wellicht menigmaal afgevraagd hoe het komt dat zo'n spreekwoord, met een toch wel keiharde West-Vlaamse kern, heel het land heeft kunnen veroveren. Wel, ik ga het zeggen Walter.
In de jaren vijftig was West-Vlaanderen een verschrikkelijk katholiek bastion. Op vrijdag at iedereen daar vis, zelfs de socialisten. In de vasten was ’t nog erger, dan mocht je ook op woensdag geen vlees eten. Die periode was voor de visserij een topseizoen. De aanvoer was kolossaal, de middenstand draaide overuren. Op de preekstoel werd de vasten aangezwengeld en daarmee ook de visconsumptie. ‘En’, zo riep de pastoor vanaf de kansel, ‘gij moet dan niet van de fijnste vissoorten smullen, want dat is geen versterving. Ge moet u onthouden van tong, tarbot en kabeljauw… tenzij er al een reukje aan hangt, want,’ en hij stak zijn wijsvinger vermanend in de lucht, ‘hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!’ De impact van ’s mans preek was enorm. In de vismijn schoot de prijs van minderwaardige soorten door ’t plafond. (U kunt dat zelf zien, want dat gat is daar nog altijd.) Vissers deden hun best om de vangst zo slecht mogelijk te behandelen. Vislossers zetten de koelkasten open en stapelden overvolle bennen in de volle zon. Handelaars lieten de vis links liggen tot de reuk niet meer te harden was en boden vervolgens tegen elkaar op om de rottende waar naar hun winkel te mogen slepen. Visconsumenten die daar vragen bij hadden, kregen een antwoord waartegen geen verweer mogelijk was: ‘Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!’ Het succes van deze verkoopstrategie was zo groot dat zij in het daaropvolgende jaar door vishandelaars uit heel het land overgenomen werd. Ook zij bekwaamden zich, tijdens de vasten, in de verkoop van zeevoedsel in staat van ontbinding. Zelfs in de Kempen en in Vlaams-Brabant gebruikten vishandelaars de quote die de Oostendse pastoor hun geleverd had: ‘Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!’ In ‘t binnenland begrepen de mensen het woord vort wel niet, maar ze verstonden wel versterving en daar was ‘t in de vasten toch om te doen. Vertrekkend vanuit de vissector veroverde het spreekwoord uiteindelijk heel de economie. Een garagehouder uit Puurs die een herstelling slecht uitgevoerd had, pareerde met succes de klacht, toen hij sprak & zeide: ‘Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!’ De klant legde zich bij de feiten neer. Het gebeuren haalde de voorpagina van De Gazet van Antwerpen. Een gerepareerd dak dat in Brussel bleef lekken: ‘Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving.’  Een makelaar die er met het geld van zijn klanten vandoor ging: ‘Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving!’ Ik moet er wel bij zeggen dat Testaankoop in die tijd nog niet bestond, maar desalniettemin…
Flor Vandekerckhove

[Deze vertelling past in een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie op verhalenproject klikt, wordt in de blog naar verschillende voorbeelden geleid.
Dit verhaal is gebaseerd op de memoires van visleurder Richard Quaegebeur. Hij had een ronde in Limburg en werd daar tijdens de vastenperiode geconfronteerd met een ruzie tussen een non en een pastoor. Zij wilde kwaliteitsvis voor de oudjes die zij moest voeden. De pastoor vond dat onnodig. Van hem kwam het argument: 'Hoe slechter de vis, hoe groter de versterving.']

Een reactie posten