zaterdag 25 juni 2016

De drie ridders

Overvloedige regenval heeft de weg onder water gezet. —
Deze week start onze wandeling in Gijverinkhove, een dorp waarvan wij niets afweten, helemaal niets. Dat is een beetje vreemd, want het ligt hier vlak om de hoek en het heeft een geschiedenis.
Vlak bij de kerk, waar ik een banaan verorber, wonen in 1200 drie ridders. Na de dood van hun moeder gaan ze elk hun weg. Nothing behind me, everything ahead of me, as is ever so on the road’, zoals Jack Kerouac het zo welsprekend zegt in zijn voor de rest onleesbare boek On the Road.
Ze komen alle drie nog een keer terug naar het dorp. Een ervan is ridder gebleven, maar de twee anderen hebben zichzelf tot kluizenaar gerecycleerd. Ik weet ook niet waarom. 
Hoe dan ook, vlak voor ze weer vertrekken laten ze voldoende geld achter om er een kapel te bouwen, of misschien wel drie, want ik zoek me te pletter om de feiten te checken, alsmede te dubbelchecken, maar het internet leidt me alleenlijk naar horecazaken en een brouwerij die De Drie Ridders heten en niet naar kapellen.
Je kunt die kapel(len) daar nog opzoeken en dat is ook wat wij gaan doen. Helaas, driewerf helaas! De overvloedige regenval heeft een Gijverinkhoofse weg zodanig onder water gezet dat we onze wandeling halverwege moeten afbreken. Ik word genoodzaakt de feitelijkheden betreffende de drie ridders tot in drogere tijden uit te stellen.
Waar de feitelijkheden ophouden, neemt de fantasie het over. Ik wijt het ongemak aan een van de ridders. Voor mijn geestesoog zie ik de snoodaard over de zompige beemden dwalen en in mijn geestesoor hoor ik hem wreed lachen. Hij ruikt, zo zegt mijn geestesneus, naar solfer.
Terwijl we op onze schreden wederkeren herinner ik me een vak uit de lagere school dat Werkelijkheidsonderricht heette. Ik herinner het me omdat ik daarin iets geleerd heb over irrigatie van landbouwgronden. ‘Boeren leggen buizen onder hun akkers om overvloedig water af te laten vloeien’, zeg ik mijn vriendin. ‘Die buizen zijn onderaan waterdicht, maar bovenaan waterdoorlatend.’
‘Weet je dat wel zeker?’, vraagt ze niet geheel onterecht, want heel het land is daar ondergelopen. ‘Die buizen helpen blijkbaar niet erg veel.’
Wat ze ook zegt is dit. ‘Werkelijkheidsonderricht? Was dat een soort tegengewicht voor de godsdienstlessen?’ Zo had ik dat nog niet bekeken, maar haar vraag wijst me er vooral op dat we inmiddels met de tweede Gijverinkhoofse ridder geconfronteerd worden. Hij lacht ons uit vanuit de holte van een knotwilg. Wat me leert dat hij een van de gerecycleerde kluizenaars is.
Terwijl we achteraf naar huis rijden, vind ik het spijtig dat er, ter wille van het verhaal, geen derde voorval is dat ik aan die ridders kan koppelen, want het zijn er ten slotte drie.
Die avond zal ik op een boekvoorstelling aanwezig zijn. In Oostduinkerke wordt het boek Onze vissers, Het Zilte Leven voorgesteld, waaraan ik heb meegewerkt. Het evenement ontgaat me evenwel compleet en ik vergeet ernaartoe te gaan. Daar moet die derde ridder voor iets tussen zitten.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten