zondag 12 juni 2016

Veel te lang

— Het citaat van Hilary Mantel (foto 1) komt uit haar memoires De geest geven (2016). — The House on Mango Street (1984) van Sandra Cisneros (foto 3)  kun je gratis downloaden van het internet. — Het citaat van Atticus Lish (foto 2) haal ik uit De Standaard der Letteren van 10 juni 2016. — Miele de Soepe (foto 4) blijft in nevelen gehuld. —

Dat is wat ik ’t liefste doe: over een buur schrijven of over een wandeling. Iets kleins. Of iets wat ik me herinner, iets kleins van vroeger. Er mag een beetje fictie in gedraaid worden, maar ’t moet kort blijven, want daar beleef ik het meeste genoegen aan, als blijkt dat het áf is en toch kort. En wat ik ook graag doe is twee dingen bijeenbrengen die anders nooit bijeengebracht worden; liefst onbelangrijke of ogenschijnlijk onbelangrijke.
Ik leer van Hilary Mantel: ‘Denk aan Orwell, die goed proza met een kaal raam vergeleek. Concentreer je op het scherpen van je geheugen en leg je gevoeligheid bloot. Schrap minstens een derde van elke pagina die je schrijft. Probeer geen uitzinnige opsmuk in je zinnen te persen. Denk goed na wat je precies wilt zeggen. Zet het zo krachtig en direct mogelijk op papier. Eet vlees. Drink bloed. Hang je sociale leven aan de wilgen en denk maar niet dat je vriendschappen kunt onderhouden. Sta op in het holst van de nacht en gebruik je bloed als inkt (…)’  
Hilary, meid, het is allemaal zeer juist! Dat is ook wat Sandra Cisneros in Het huis in de Mangostraat doet, je voelt dat. Zij staat op in ’t midden van de nacht om nog een vignet aan haar huis te breien. Godver, zeg je, nadat je dan dat vignet gelezen hebt, hoe kan iemand zó goed schrijven?!
En nu iets helemaal anders. Niet lang geleden brachten mijn vissersverhalen me op een podium waar ik, weliswaar samen met twintig anderen, het Oostendse volkslied Op de vismarkt ging zingen. We deden het met verve en we zongen alle strofen.
In het lied bezingt een ambulante visverkoopster — ‘e viswuf’ in ’t Oostends — haar identiteit. De eerste strofe kende ik, maar aan de twee volgende had ik nooit eerder aandacht geschonken.
De derde begint als volgt: Niemand kan er tegen mij roepen/ Zo’n schone stemme dan’k en/ Overlaatst zei Miele de Soepe/ dan ’k een mislukte chanteuse ben. Mij overviel toen de vraag die me sindsdien niet meer loslaat: hoe de fuk is Miele de Soepe?
Hoe keirs? zult u tegenwerpen. Maar dat komt doordat u niet begrijpt hoe het gaat met zo’n sprankel inspiratie. Best dat de jonge auteur Atticus Lish er is om het u uit te leggen: ‘Ze zitten verstopt als zaadjes in emmers vol slijk. Ik moet ze er uit filteren en opnieuw planten in mijn hoofd.’ Schrijven is, zegt deze Lish ’een zaak van tuinieren en her-tuinieren, van het voeden en verpotten van je verbeelding.’
Met Miele de Soepe wil het me maar niet lukken. ’t Wordt tijd dat ik die mens uit mijn hoofd zet, want dit stukje is al te lang geworden, veel te lang. Weg met Miele de Soepe!
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen